“Oude zeeën zijn verdwenen /
Klederdracht raakt in verval /
Maar het geldt er als voorhenen /
Urk dat is een soetendal /
Wie er is die blijft er al”

Die laatste zin van het Urker volkslied ‘Wie er is die blijft er al’ wordt nog steeds door veel mensen ook buiten Urk  in hun hart mee meedragen. Dit geldt speciaal in het geval voor  de kinderen die door Urker bevolking werden opgevangen in de jaren 1944 – ‘45. Voor deze kinderen werd Urk een lichtpunt, een toevluchtsoord.

Auteur: Robert Hofman (2015)

Een ingekorte versie is eerder gepubliceerd geweest in:  ‘Wereld in Oorlog’. Uitgave mei 2015.

De situatie 1943

Het is 1943, De oorlog gaat zijn derde jaar in. De schaarste op Urk wordt merkbaar. Zo zijn er geen nieuwe klompen meer beschikbaar. En de handel in illegale vis neemt toe. Dit doordat er in de rest van Nederland steeds minder voedsel te krijgen is voor de gewone burger. Sommige Urkers profiteren hier goed van, door de vis voor goed geld te verkopen.

Ineke Schagen in het Urker een Amsterdams meisje van 5 jaar oud.(Herkomst: Collectie St. Urk in Oorlogstijd)

De situatie voor de burgers in West-Nederland wordt ook steeds moeilijker, met name op het gebied van voedsel en brandstof. Dit is ook van toepassing voor schoolgaande kinderen. Steeds vaker wordt er, ook ’s nachts, een luchtalarm afgegeven, hierdoor blijven veel kinderen uit hun slaap. Dit komt doordat grote massa’s bommenwerpers overvliegen. Hele gezinnen zitten dan bepakt en bezakt tijdens het luchtalarm in de kamer, gang of kelder. Hiernaast hebben de ouders ook steeds minder voedsel dat ze aan de kinderen kunnen geven. Dit begint op den duur zijn tol te eisen.

Het duurt dan ook niet lang voordat de eerste plannen gemaakt worden om de schoolgaande kinderen op veiligere plaatsen onder te brengen. Diverse diakenen uit Schiedam gaan dit onderzoeken. Gewapend met introductie-brieven van diverse dominees gaat men op pad. Zo komen al snel de eerste kindertransporten op gang. Deze transporten gaan vanuit Schiedam naar het Noorden: de provincies Friesland en Groningen. Op deze manier vinden heel wat kinderen maandenlang onderdak bij Friese boeren en burgers.

Zo komen ook de eerste transporten naar Urk. De heer Dijkstra van de stichting ‘Wees een Zegen’ organiseert samen met Rein Bos, een Urker onderwijzer, meerdere tochten. Rein Bos vertelt:

‘In die dagen kreeg ik contact met de heer Dijkstra van de stichting “Wees een Zegen”. Hij trok zich het lot van de kinderen uit de Jordaan aan en met een tjalk met ondervoede kinderen op Urk arriveerde. Hier kwam het goede in de Urker harten direct boven, want in een ogenblik van tijd waren alle kinderen in Urker gezinnen ondergebracht”.

Het Inter-Kerkelijk Bureau

Ondertussen zijn door de kerken de eerdere plannen verder uitgewerkt. Dit leidt ertoe dat in het begin van december 1944 in Den Haag het ‘Interkerkelijk bureau’ IKB wordt opgericht. Het IKB bestaat uit zowel protestanse kerken als de Rooms-Katholieke kerk. Het IKB heeft tot doel om hongerkinderen onder te brengen bij pleeggezinnen in de noordelijke provincies.

Na de oprichting van het centrale IKB volgen er in de steden van de westelijke provincies ook bureaus. Bestaande hulpacties voor de kinderen sluiten zich aan bij de plaatselijke IKB. Door deze actie worden er binnen een korte tijd worden zo’n 50.000 kinderen na een medische keuring naar de andere kant van het land gebracht. Op de terugweg probeert men voedsel mee te nemen.
De actie van de kerken, om verenigd in het IKB hulp te bieden, heeft ook een keerzijde. Dit omdat van de Duitse kant er moeilijkheden ontstaan. De Duitsers zien het liefst dat het IKB werk overgaan in de Nederlandse Volksdienst. De Nederlandse Volksdienst ziet namelijk met afgunst hoeveel mensen van harte meewerken aan het IKB, en daar ook de nodige offers voor brengen. De standvastige houding van de kerken, die geen inmenging willen van de Duitsers, zorgt ervoor dat het zover niet komt.

De reis naar Urk en aankomst

De plannen zijn gemaakt, er wordt samengewerkt, kortom het lijkt allemaal een groot succes. De werkelijkheid is anders, de tochten zijn een hele beproeving. Dit wordt duidelijk aan de hand van het verhaal van Len Dikker (23 jaar oud in 1944). Zij is één van de begeleiders van een reis die de bleekneusjes maken. De boot waar ze meevaart is één van de eerste schepen die Urk aandoet op weg naar het Noorden.

“Het eerste transport was in November 1944. Er gingen een aantal leidsters mee, onder wie ikzelf. We gingen uiteindelijk met zo’n tachtig kinderen weg in een rijnaak waarin stro lag om op te zitten en te slapen. We voeren ’s nachts omdat het IJsselmeer overdag werd beschoten door de Engelsen. We hadden lantaarns en een aantal emmers voor de stoelgang, want veel kinderen hadden oedeem en moesten voortdurend naar de wc. Zo’n tocht duurde twee of drie dagen omdat we alleen ’s nachts een aantal uren konden varen. Overdag lagen we stil”.

Huizinga: “Kinderen worden per schip naar Friesland gebracht”.

Als Len de haven van Urk binnenvaart staat ze verwondert te kijken wat haar overkomt. Ze vertelt:

“In Sneek moesten we soms langs de deuren om de kinderen kwijt te raken, maar in Urk stond de dijk vol met mannen. […]. De meeste kinderen hadden snel een slaapplek die nacht. Het was pikkedonker toen we aankwamen en van Urk heb ik dus weinig kunnen zien. Ik kwam bij een gezin terecht. Ik was moe en koud en ze zeiden dat ik zo wit was. Ze legden me in een bedstee met warme kruiken en ik heb heerlijk geslapen die nacht”.

Voor veel kinderen is de reis vanuit het Westen een hele beproeving, beter kan gesproken worden van een ‘helse tocht’. De kinderen eten dagenlang niets. Ze verblijven in onverwarmde, ijskoude  ruimtes,   van vrachtschepen met, als ze geluk hebben, houten banken of strooi. Eenmaal aangekomen in de havens kunnen de kinderen van de kou en honger niet meer op hun benen staan. Dit blijkt ondermeer uit het verhaal van dhr. Schulze, hij vertelt:

 

Op dinsdag 16 januari 1945 vertrokken wij per binnenschip van Bijloo een zogenaamde beurtschipper in Schiedam […] Ons schip was een nachtboot, in het vrachtruim waren voor het personenvervoer lange houten banken neergezet. ’s Avonds kwamen wij in Amsterdam aan en de kinderen voor Friesland werden in het hotel Elim van het Leger des Heils ondergebracht. […] Op zondagmiddag 21 januari konden we eindelijk onze reis voortzetten. Niet met een nachtpassagiersboot, maar weer met een onverwarmd binnenschip dat ingericht was met enkele houten banken en veel stro op de vloer. Het schip maakte onderdeel uit van een sleep getrokken door een sleepboot met ijsbreker. […] 22 januari, kwam Urk in zicht en wij voor de Urkers. Vele Urkers begaven zich toen met sleetjes in alle soorten en maten naar onze schepen want zij zagen dat wij vastliepen in het ijs. De sleetjes kwamen goed van pas, want ik bleek nauwelijks te kunnen lopen, mijn voeten waren gevoelloos van de kou. In een houten loods werden wij door Rode Kruis mensen onder de Urker gastouders verdeeld. Hoewel er wel 60 kinderen, waren moesten er toch een aantal Urkers teleurgesteld worden. Zo groot was de enthousiaste hulpvaardigheid. […] We vertrokken woensdagmorgen 24 januari met een passagiersvrachtboot naar Lemmer. […] We konden echter niet in Lemmer blijven. Besloten werd dat mijn zusje en ik alsmede enkele oudere kinderen terug zouden gaan naar Urk, waar men ons immers node had laten gaan. Daarom gingen wij de volgende dag terug naar Urk. […] wij arriveerden op donderdag 25 januari voor de tweede keer op Urk en zouden daar tot 25 juni blijven, dus precies 5 maanden”.

Urk – Kleederdracht Urk


Chronologie van schepen


Hieronder de data  die bekend zijn waarop Bleekneusjes naar Urk kwamen. Vermoedelijk zijn het er meer geweest, maar tot nog toe is hier geen bewijs voor gevonden.

November 1944

Op Urk strand een rijnaak met ongeveer 80 kinderen op weg naar het noorden. De boot verlaat na een dag de haven weer. Alleen de zieke kinderen blijven op Urk

22 januari 1945
Op weg naar Lemmer strand de sleepboot “Christina” te Urk met 100 bleekneusjes. Op 23 januari verlaat de boot met de meeste kinderen weer. Op 24 januari in de ochtend gaat de boot terug naar Urk, niet alle bleekneusjes hebben in Lemmer onderdak kunnen krijgen.

23 januari 1945

Het passagiersschip “Insula” komt met kinderen vanuit Noord- en Zuid-Holland aan wal bij Urk om te overnachten. Deze kinderen zijn onder geleide en vertrekken in de morgen van 24 januari om 07:00 weer door de polder naar Lemmer.

24 januari 1945
De SS Jan Nieveen komt de haven binnen begeleid door een sleepboot van de Kriegsmarine. Aan boord zijn  ongeveer 100 passagiers. Zij mogen niet van boord. Veel Urkers brachten de hongerige passagiers brood.

13 februari 1945
De “Insula” komt met 180 bleekneuzen van Amsterdam ’s avonds aan op Urk. Het schip blijft niet heel lang op Urk. Op 15 februari vaart zij verder met de bleekneusjes naar Kampen.

16 maart 1945
Vanuit Schiedam vertrekt een boot met een sleepboot naar Urk. Ze komen midden in de nacht aan. Aan boord zijn 73 kinderen.



Woningnood & Schaarste

Hoewel de Urkers toestroomden om kinderen op te halen, was het niet vanzelfsprekend. Op Urk voelde men ook steeds meer gebrek en armoede naarmate de oorlog vorderde. Door de vele oorlogsgevaren kwamen familieleden uit alle delen van het land terug naar ‘De Bult’. Ook door evacuaties zoals in Den Helder kwamen oud-Urkers terug. Dit zorgde voor woningnood op Urk.

Hiernaast was ook op Urk merkbaar dat alles ‘op de bon’ was. Ook kolen moest aangevoerd worden per boot. Het kwam dan ook voor dat de kolen op waren, en men moest wachten op de volgende vracht. Hoewel er op Urk veel vissersschepen waren, was het zeker niet vanzelfsprekend dat er vis beschikbaar was. Dit blijkt ondermeer uit het volgende krantenartikel uit de plaatselijke krant ‘Oprechte Urker’ van November 1944:

Houten noodwoningen aan de rand van Urk. (Herkomst: Collectie St. Urk in Oorlogstijd)

“Weer kans op een vischje
Urk vormt op velerlei gebied een uitzondering. Dat blijkt nu weer met de visscherij op het IJsselmeer. Onze vloot mag weer, zij het dan alleen overdag, visschen en dientengevolge komt er weer een voorntje, rood baarsje en zelfs een enkel snoekbaarsje op tafel. Dat dit een zeer aangename afwisseling is in het kool menu behoeft geen betoog”

Heimee & Vreugde

Voor de vele kinderen die op Urk terecht komen was het niet altijd even gemakkelijk. Dit blijkt helemaal uit hetgeen mevr. Marretje Rippen verteld over ‘hun bleekneusje’ Roelof:

“De omroeper ging door het dorp met zijn bel en wie kon haalde een kind op het ruim van het schip om eten en onderdak te geven. Wij kregen ook een jongetje. Onder het eten begon met dat kind toch te huilen, dat we er naar van werden. Wat bleek het geval? Het kon zijn eten niet door zijn keel krijgen omdat het wist dat ze thuis niets hadden. We waren zo bewogen dat Roelof met die schipper ging praten of die niet wat aardappelen voor die familie in Schiedam en voor familie van ons in Rotterdam wilde meenemen, en dat wilde hij wel”.

Jopie Reedijk, vertelt over de heimwee en verantwoordelijkheid die ze voelt:

” ’s Avonds op bed kan ik de slaap niet vatten, heb heimwee naar huis naar mijn moeder en ik voel op dat moment de grote verantwoordelijkheid over het verdere verloop van de reis”.

Er is niet alleen maar heimwee, en verdriet. Sophie van Oranje, ook een bleekneusje vertelt:

“Natuurlijk moest ik wel een beetje helpen in het huishouden. Elke dag afwassen, met de kinderen wandelen of op ze passen. Boodschapjes doen. En…. heel spannend!!! : af en toe op de uitkijk staan! Als Kees een zooi clandestiene paling meegebracht had, moest een deel ervan gerookt worden. […] Ik verveelde me dus niet. Je kon trouwens genoeg kletsen met andere Amsterdamse meisjes. Maar een beetje heimwee naar de stad, mijn familie, mijn vriendinnetjes, begon toch wel te knagen. Ik was nog nooit zó lang van huis geweest”.

De meeste kinderen verblijven op Urk vanaf eind 1944 tot vlak na de bevrijding. Ongeveer een half jaar.

Een kinderlegitimatiebewijs van het Nederlandse Rode Kruis.
(Herkomst: Collectie St. Urk in Oorlogstijd)

Terug naar huis

Na de bevrijding gaan bijna alle bleekneusjes weer terug naar huis. Bij het vertrek staat de kade vol mensen om de kinderen uit te zwaaien. Sophie van Oranje vertelt:

 “Bij het afscheid stond de kade vol mensen die ons kwamen uitzwaaien. De boot naar Enkhuizen toeterde en blies bij het uitvaren alsof wij heel belangrijke personen waren. Ik zal deze geweldige gastvrijheid nooit vergeten!”

Niet elk kind wil, én kan naar huis. Er was bijvoorbeeld een Amsterdams jongetje van vier jaar zonder naam. Het was ziek van boord gegaan en op Urk gebleven. Hij werd Riekelt Snoek genoemd en opgenomen in een Urker gezin. Na de bevrijding bleef hij op Urk, omdat er van zijn ouders niets bekend was. Pas in 1948 werd de ware identiteit van het kind vastgesteld door het Rode Kruis. Zijn naam was Frans Frankenhuis. Hij was geboren uit een Nederlandse moeder en een Joodse vader. In dit jaar kwam ook de echte moeder van Frans op bezoek, zijn vader kwam om in Auschwitz. Frans heeft zijn verdere jeugd op Urk doorgebracht bij zijn pleegouders.

Naast Frans waren er nog een paar andere kinderen die op Urk bleven, of kinderen die pas na jaren weer naar huis gingen. Dit was zeker niet gemakkelijk. Gerrie ten Bokkel verteld hoe dit voor haar was:

“Mijn ouders waren wildvreemden voor mij. Elf jaar heb ik in Limburg gewoond, maar elke schoolvakantie ging ik terug naar Urk. Dit was afgesproken met mijn pleegouders, die wilden geen vergoeding voor mij, maar de garantie dat ik elke schoolvakantie op Urk zou komen. Toen ik 19 jaar was ben ik terug verhuisd naar Urk”.

Net als Gerrie ten Bokkel waren er meer bleekneusjes, die later terug zijn gegaan naar Urk. Of die liever op Urk waren gebleven.

 

“[…]maar het geldt er als voorhenen
Urk dat is een zoetendal,
wie er is die blijft er al.”

Brief en kaart van bleekneusjes aan gezinnen op Urk. Na de oorlog was er soms nog contact.
(Herkomst: Collectie St. Urk in Oorlogstijd)