‘Niets zonder Gods zegen’

De UK 202 tijdens mobilisatie, bezetting en wederopbouw (1939-1946)

Over de visserij in oorlogstijd is al veel geschreven. Het journaal van schipper-eigenaar van de UK 202, Lub Kramer, laat de impact zien die de oorlog op het visserijbestaan had. Zijn zoon, Klaas Kramer, bewerkte het journaal uit de oorlogsperiode voor stichting Urk in Oorlogstijd.

Auteur: Klaas Kramer & Lenie Bolle (2008)

Wij putten voor het verhaal uit het notitieboekje (journaal) van mijn vader, dat hij van dag tot dag bijhield. Mijn vader, Lub Kramer (1891-1970), was schipper-eigenaar van de botter UK 202. De UK 202 was een houten botter, in 1929 op Urk gebouwd door de gebroeders Roos. De botter was 17 meter lang, 6,10 meter breed en had een holte van 2 meter en 35 centimeter. Het schip had een motor van 70 pk (N en K).

De snurrevaedvisserij

Over het algemeen beoefende de UK 202 de Deense snurrevaed visserij. Des winters werd er wel eens overgegaan op de korvisserij, vanwege het voor de snurrevaed visserij slechte weer. Het water werd dan te dik voor die manier van vissen en men ving dan niet. Toch werd het grootste deel van het jaar de snurrevaed visserij uitgeoefend.

De snurrevaed visserij was een uitvinding van de Denen en oorspronkelijk voortgekomen uit de Deense zegenvisserij. De uitvinder van de Deense zegenvisserij was de Deen Jens Larsen Vaever, een kleine boer-visserman, geboren in Kralberg, Skide op 6 januari 1822. De Denen visten daar toen in de Skalling Sond. Voordat Jens Larsen op het idee kwam van de zegenvisserij, ving men daar een veertig tot vijftig schollen per dag. Toen Larsen zijn idee ging uitproberen – rond de jaarwisseling 1848/1849 – was het eerst niet direct wat hij ervan gedacht had. Het was een misser: vijftien schollen van de hele dag. De tweede poging in januari 1849 was echter direct raak: in één dag zestig keer de dagvangst van de andere vissers. De volgende dag was zo mogelijk nog beter: 4000 stuks. Was hij na zijn eerste (mislukte) poging nog uitgelachen door zijn collega’s, na deze succesvolle dagen werd er niet meer gelachen. Men ging algemeen de methode die Jensen ontwikkeld had navolgen. De snurrevaed visserij die hieruit voortkwam is door de Deense en later ook door de meeste Urker vissers tot ver na de Tweede Wereldoorlog uitgeoefend. Sinds een jaar of tien is er een nieuw soort snurrevaedvisserij, namelijk flyshooting, uit voortgekomen. Dat is, zonder voor anker te gaan, met motorkracht op dezelfde plaats blijven liggen.

Wij nemen nu verder de info uit het notitieboekje van vader over.

Journaal uit 1939: mobilisatie

De UK 202 in Harlingen, 1939. Privécollectie Klaas Kramer.

28-08-1939: Oorlogsdreiging – Mobilisatie. Tot 7 uur gevaren. Doel: vissen boven Ameland wegens onzekere toestand.

Algehele mobilisatie is afgekondigd.

NO gat bij Terschelling uit, 3 uur NNO. 18 vaam

1e trek 2 manden klein goed, anker opgehaald en 1,5 uur OZO in. Geankerd op 16 vaam.

29/8 – Dinsdag: 25 manden in 5 trekken. 1 trek vast, even korter, 15 vaam.
30/8 – Woensdag: 20 manden in 4 trekken.

31/8 – Donderdag: twee trekken 10 manden, naar binnen.

Wegens oorlogsdreiging Terschellinger zeegaten gesloten, stomen door naar IJmuiden.

1/9/ 1939 – Vrijdag: te IJmuiden verkocht 50 kisten schol. Bes. Fl 303. Naar huis.

Geruchten over oorlogstreffen tussen Polen en Duitsland.

Tussenschrift

Vader heeft toen met het oog op het dreigende oorlogsgevaar, onder andere de mijnen die ze af en toe zagen drijven, geprobeerd om met de raamkuil op de Waddenzee de kost te gaan verdienen. Men ligt dan ten anker met de kuil achteruit, die opengehouden werd door de stroom. Als het tij afgelopen is, haalt men de raamkuil in. Alles wat er voor stroom ingezwommen is, is meegenomen, want olie gebruikte men liggend achter het anker niet.

Hoe dat plan tot raamkuilen tot stand is gekomen, lezen we in de tussengevoegde brief hieronder. De brief was het antwoord op een brief van vader aan een goede kennis, de heer De Veen, werkzaam bij het RIVO te IJmuiden. Die was eens een reisje met de botter mee geweest om de snurrevaedvisserij in de praktijk te leren kennen en onderzoek te plegen.

Het antwoord op vaders brief luidde als volgt:

’s-Gravenhage, 12 september 1939

Waarde Heer Kramer,

Zo even ontving ik uw schrijven van 11 Sept. 1939. Het is zoals u schreef: mijn plannen liggen voorlopig in duigen. En het zal wel weer lang duren eer de mensen weer met het snurrevaed kunnen vissen, want de bodem wordt totaal verpest met wrakken en mijnenankers. Na de wereldoorlog hebben de Denen er nog heel lang last van gehad. Dit was toen ook mede de oorzaak waarom zij toen begonnen ver van huis te vissen: ook hebben toen de kleine trawlers grote averijen gemaakt, want schier overal lagen mijnenankers en dit waren gemene heften.

Ja waarde vrind. de hel is los gebarsten… en hoelang zal dit duren? Duizenden mensenlevens worden opgeofferd aan waandenkbeelden. En dit is wel een van de ergste. Uw poging om trots de toestand toch te willen vissen met het snurrevaed lijkt mij wel wat gewaagd. De zee is al verpest met mijnen en als straks het slechte weer komt, zullen er wel net als in de vorige oorlog mijnen los komen drijven. Als wij dan bedenken dat wij in het najaar hier constant veel westelijke winden hebben, dan begrijpen wij ook dat veel Engelse mijnen hier onder de kust terecht zullen komen. Trouwens, dit is ook het geval geweest in de grote oorlog. Ook weten wij niet of reeds van Engelse zijde op West Hole, The Kethle Hole en omgeving mijnen gelegd zijn. Het Nauw van Calais en omgeving zit vol mijnen: er is enkel een opening tussen Engeland en Frankrijk gelaten met het oog op de transporten naar het vaste land. In 1914-1918 lag het er vol met dit spul, en nog lang na de oorlog zijn daar mijnen opgevist. Naast de mijnen hebben wij nog de sluipmoordenaar, de duikboot. Algemeen hoort men beweren dat de Engelsen een middel hebben om de duikboten onschadelijk te maken. Er wordt echter van Engelse zijde een grote gereserveerdheid betracht ten aanzien van dit geheime wapen. Hoe dit wapen werkt weten wij niet en het is best mogelijk dat zij, net als in de vorige oorlog de Duitsers deden, kabels gebruiken met apparaten er aan waarmee de plaats van de duikboot dan wordt bepaald.

U vroeg mij in het bijgaande schrijven van 11 september om u te willen mededelen welke instanties door u moeten worden aangeschreven voor een eventuele ankerkuilvisserij tussen de hoofden van de uitwateringssluizen bij het Kornwerderzand. Ik ben direct om inlichtingen uit geweest.

Een vergunning om daar te mogen vissen moet door u worden aangevraagd aan het districtshoofd van het tweede en derde district (Van Hengel) of aan het hoofd van de Rijksdienst (Houben).

Een vergunning voor een speciale visserij bij het Kornwerderzand moet u aanvragen bij de Directie van de Zuiderzeewerken. U moet dus twee vergunningen hebben: een van Van Hengel of Houben en een van Waterstaat. Of men u voor dit speciale geval een vergunning zal geven, kon men mij niet mededelen.

Nu nog een andere vraag: Is het u bekend dat Zuiderzeewerken een schipper benevens personeel en een schip nodig heeft voor werkzaamheden op het IJsselmeer? Zo ja, bericht mij dit dan want dan zal ik voor u en de uwen een poging doen bij het Ministerie van Waterstaat om gedaan te krijgen dat men u voor dit werk zal nemen. Ik wil u gaarne, dit begrijpt u wel, helpen. Met de beste groeten aan uw vrouw en kinderen, voorts ook aan vader Kramer en ‘bessien’ verblijf ik.

Hoogachtend,

Uw toegenegen J. de Veen.

Journaal uit 1939: relatieve rust

Van 4/9 tot 22/9 niet gevaren vanwege oorlogsrisico.

Van 25/9 tot 28/9 experimenteel met raamkuil voor sluis Kornwerderzand gevist. Resultaat: Niets.

Na mislukt experiment met de Raamkuil besloten weer met de snurrevaed uit te varen.

2/10/1939 – Gevaren naar Nieuwe Diep, ijs geladen.
3/10 – Naar zee. Gedraaid naar Ketelhole en met zonsondergang geankerd.

4/10 – Woensdag: 1 trek met dik water en OZO bries. Niets. Rekker ervoor en gelegen tot donderdag en toen naar IJmuiden. Veertien uur gestoomd.
[Toelichting: Een rekker was een dikke cocostros die met slecht weer direct voor de kop aan het ankerdraad bevestigd werd en meer rekte dan de draad. Vandaar de naam ‘rekker’.

Blijven liggen in IJmuiden tot 9/10.

9/10 – Te 1.30 uur naar zee, 29 mijl op de log gedraaid NW t W. 1 trek voor een braadje en met stormweer uit het oosten weer naar binnen.
11/10 – Woensdag: naar huis.

Twee weken klaar liggen maken voor de korvisserij.

30/10 – Gevaren naar IJmuiden: twee trekken buiten boei.

Visborden niet goed en ‘s avonds weer naar binnen.

1/11/1939 – Woensdag: achter Petten gegaan, en daar gevist tot donderdagavond. Vangst meest puf. Naar IJmuiden.
3/11 – Weer naar zee om nog een paar trekken te doen.

Einde journaal 1939

Het gezin Kramer. V.l.n.r. Klaas, Jan (dikkerd), Tiemetje Post-Kramer, Klaasje van den Berg-Kramer, Lumme de Vries-Kramer, Jan (grote), Jelle, Hein, mimme Marretje Kramer-Molenaar, vader Lubbertje Kramer. Zoon Frans staat niet op de foto. Datering: jaren zestig. Privécollectie Klaas Kramer.

Vrijdag 10 mei 1940: oorlog!

Botter UK 202 de hele winter vanaf november te IJmuiden gelegen. Buitengewone strenge vorst. Veertien dagen voor biddag, tweede woensdag in februari, weggegaan om te vissen. Uit IJmuiden, maar er blijkt na deze zeer strenge winter niets te vangen bij de kust.

Na de biddag nog een keer weggeweest. Eerst met de auto over het ijs naar Enkhuizen, maar geen verdienste. Twee trekken buiten het Diepe Gat met de kor voor Fl. 34.

Maart – Eindelijk kunnen we met de botter naar Urk door het ijs. Nemen de snurrevaed aan boord, maar slecht weer.

22/3/1940 – Pasen. De week na Pasen zuster Jannetje ernstig ziek. Op advies van de dokter niet gevaren. Ook weer gehele week slecht weer. Zus iets beter.
2/4/1940 – Op IJmuiden gevaren met als doel de snurrevaadvisserij uit te gaan oefenen. Te 19 uur in IJmuiden.

3/4 – Dinsdag. IJs geladen en naar zee vertrokken. Doel: Nieuw Zeelandgrond. Te 19 uur geankerd.

4/4 – Woensdag: rijke vangst. In 5 trekken 50 manden.

5/4 – Donderdag: vangst 50 manden.

6/4 – Vrijdag: 4 trekken, 30 manden, meest half om half kleine schol en schar.

7/4 – Zaterdagmorgen: anker opgehaald en de UK 22 gepraaid, naar IJmuiden.
Te 16 uur in IJmuiden. Deze week vier mijnen zien drijven.
8/4 – Maandag: vis verkocht, goedkoop. Bes. Fl. 584. Te 12 uur 15 buiten de pier, koers NtW. Te 18 uur drijvende mijn gepasseerd, daarom te 19.30 geankerd.

9/4 – Dinsdag: te 4.30 uur anker opgehaald en met dikke bries verder afgestoomd. Te 11 uur weer geankerd – weer een mijn. Drie trekken, 25 manden.

10/4 – Vier trekken, 30 manden.

11/4 – Donderdag: twee trekken, 20 manden. Te 12 uur naar IJmuiden. Wegens mobilisatie verscherpt toezicht. Mogen vòòr 6 uur niet de pieren binnen.

12/4 – Vrijdag: te IJmuiden verkocht. 60 kisten. Besomming Fl. 437. Met botter naar huis.

Week van 15 – 20/4 niet gevaren. Slecht weer en griep.

22/4 – Maandag. Te 3 uur gevaren op ‘t Nieuwe Diep. Na bekomen vergunning om Schulpengat uit te mogen vanwege mobilisatie, en na ijs geladen te hebben, te 11 uur naar zee. Doel: 9 mijl NNW van Terschellingerbank. Op 22 vaam geankerd te 21 uur. Horen vliegmachines.
23/4 – Dinsdag: vangst 40 manden. Horen ‘s avonds te 21 uur een ontploffing als van een kanonschot of mijn.

24/4 – Woensdag: 40 manden.

25/4 – Donderdag: 1 trek voor 8 manden, regen en bloei weer. Naar IJmuiden te 19.40 uur aan de afslag.

26/4 – Vrijdag: vis verkocht, prijzig. Bes. Fl. 473. Er wordt een logger vermist KW 53. Met het spoor ’s middags naar huis.

29/4 – Maandag: te 14 uur naar zee. Wegens mijnengevaar geankerd te 20 uur in ‘t Diepe gat.

30/4 – Dinsdag: anker opgehaald te 3 uur. Gedraaid NNO 6 mijl van lichtschip Terschellingerbank. Drie trekken voor 30 manden klein goed.

1/5/1940 – Woensdag: twee trekken voor 10 manden, draaien 1,5 uur NW in.
2/5 – Donderdag: vangst 30 manden.

3/5 – Vrijdag: vangst 30 manden.

4/5 – Zaterdag: Naar IJmuiden.

6/5 – Maandag: te IJmuiden vis verkocht. Zeer goedkoop. 100 manden vis voor Fl. 410. Te 12.15 uur naar zee, gedraaid tot 20.30, geankerd ± 12 mijl oost van vuurschip Terschellingerbank.

7/5 – Dinsdag: te 3 uur opgehaald en NO gestoomd. Op 23 vaam geankerd. Vangst in twee trekken 16 manden. Toen twee trekken vast.

Alle militaire verloven ingetrokken.

8/5 – Woensdag: vangst 40 manden.
9/5 – Donderdag: 1 trek vast en 1 trek 8 manden. Naar IJmuiden. Te 21 uur bezuiden lichtboei van IJmuiden ten anker.

Journaal uit 1940: voorboden van de oorlog

Te 3.30 uur anker op en wilden naar binnen. Aanval op IJmuiden met Duitse vliegtuigen.

Duitsland valt Nederland aan. Zagen mijnen aan valschermen uit de vliegmachines werpen. Mochten te 6.45 uur naar binnen. Vierenzestig manden vis, ca. 2500 kg. Afgeslagen, maar vis waardeloos. Besomming Fl. 111. en Fl. 39 aan puf.

Wij wilden toen met de botter naar huis, maar de botter werd in beslag genomen door de marine voor het vegen van mijnen die door de Duitsers aan valschermen in de pieren gegooid waren. Jelle en Jan naar huis. Bleven zelf als schipper met grote Jan als motordrijver aan boord, aangevuld met Jelle Kramer, onze factor uit IJmuiden. Te 17 uur slepen we een ijzeren bak met ijzeren plaat voor de O.D. 6. Moesten even wachten bij de noordingang naar de sluis en zien bomaanval door Duitse vliegmachines op Engelse torpedoboot D 77. Deze werd echter niet getroffen. Toen weer opslepen met ijzeren bak om de magnetische mijnen tot ontploffing trachten te brengen. We hadden een marineofficier aan boord gekregen voor dit werk. Slepen tot buiten de pier, daar weer rondgedraaid, maar binnen de pier brak de tros. De marineofficier liet ons toen naar ‘t Fort gaan. Er komen nu ook Franse vliegmachines over. Later de O.D. 6 weer gesleept en met bak in haven getrokken. Te 19 uur weer binnen. Dankten God voor bewaring. Van 10 op 11 mei rustige nacht.

11/5 – Zaterdag. Wakker geworden door afweergeschut maar aanval bleef uit. 1 bak naar Noordersluis gebracht met UK 144. Toen afnokken.


12/5 – Zondag: Eerste Pinksterdag. Rustige nacht gehad. Te 6.30 uur afweervuur, maar zagen geen vliegtuigen. Waren van plan naar de kerk te gaan, maar de marineofficier verzocht ons zonodig aan de UK 16 van Gebr. Bakker hulp te verlenen, die met een ijzeren bak onder stroom door de pier moest slepen om eventuele elektrische mijnen tot ontploffing te brengen. Te 7.30 uur kwam een Duitse bommenwerper over. Deze werd beschoten en geraakt. Wierp twee bommen af die naast een zeeboot in het kanaal terecht kwamen. Volgens later ontvangen bericht is de Duitser in de polder neergestort. Te kwart voor 10 weer een aanval van een bommenwerper, van zuid naar noord, op een transportschip gelegen aan de toeristensteiger. Vier bommen gelijktijdig geworpen, kwamen in de glooiing van de dijk Noorderkanaal terecht. De bommenwerper is bij Beverwijk neergestort. Alle 4 inzittenden gedood. Daarna weer in de pier aan het werk met de UK 16 mijnen vegen. Hadden geen succes. Te kwart voor een afnokken en motorstop.

Onderwijl ik dit op zat te schrijven, kwam weer een Duitse bommenwerper laagvliegend over IJmuiden en wierp bommen naar een Nederlands schip. De bommen ontploften met donderende knallen. Of het schip geraakt is, weet ik nog niet. Het bleek echter dat de bommen naast het schip op twee pakhuizen terecht waren gekomen. Een boot die ook gelost is, maakt aanstalten om te vertrekken. Dit speelde zich af om 13.30 uur. Vele ruiten van koelhuis Frigo, waar wij naast lagen, waren gesprongen. Daarna gegeten, maar niet lekker. Na het eten te twee uur naar neef Jelle Kramer (Jelle van Kuzer Oaltjen). Te 17 uur naar de kerk. Ds. sprak naar aanleiding van de eerste twee verzen van Ps. 91. Getroost te 18 uur weer naar boord. Nog enkele malen kwamen vliegmachines over waar op geschoten werd, maar deze wierpen geen bommen. Te 22 uur naar kooi en lekker aan een stuk door geslapen tot 3 uur. Hoewel geregeld vliegmachines werden beschoten.

13/5 – Maandagmorgen 3 uur werden wij gewekt door een havenbeambte die ons meedeelde dat we proberen moesten mensen te redden van een koopvaardijboot die in de pier op een mijn was gelopen. In de pier kwam ons al een boot tegen met schipbreukelingen. De boot die op een magnetische mijn was gelopen was de ‘Van Renselaar’ van de KNSM. Enkelen waren nog aan boord. De ‘Van Renselaar’ had zware slagzij over bakboord en lag net binnen de tweede rode ton met de kop naar binnen. Wij hebbende bewusteloze kapitein van boord gehaald en naar de steiger bij de kleine sluis gebracht. Naar we later hoorden is de kapitein kort daarna overleden. Bij Hessel Wakker UK 144 een bak koffie gedronken, nadat we weer in de vissershaven waren.

We waren te ± 6 uur net bezig ons te wassen toen er weer vliegmachines verschenen die echter geen bommen uitwierpen. Even later kwam een sleepboot, die opdracht had ons naar het Noordzee kanaal te brengen. Met UK 96 en UK 144 en wij dus door de grote sluis geschut. Bij de plaatwellerij van de Hoogovens moest de UK 96 ankeren, even verder wij met de 202, en nog weer verder de UK 144.

Wij liggen bij lichtpaal 55 in ‘t Kanaal. Ook liggen er veel binnenschepen. De bedoeling is om vijandelijke watervliegtuigen de landing in het Noordzeekanaal onmogelijk te maken.

7/30 uur liggen hier wel rustig voor anker, maar dit zal vervelend worden.

Pinkstermaandag 21.40 uur: mooi stil weer. Geloei van koeien en gekwaak van kikvorsen is nu zowat het enige geluid dat wij hier horen. Even voor 20 uur passeerde ons het grote passagierschip – Johan de Wit – en ook enige kleine kustvaarders, richting IJmuiden. Nu volgen de verkeerde berichten zich wel achter elkaar snel op. 22 uur regering verplaatst haar zetel naar elders. Noordelijke provincies verloren. Moerdijkbrug overschreden. 23 uur Frans legerbericht meldt oprukken Duitsers bezuiden de Maas-Nieuwe waterweg. 23.40 uur zegt het ANP dat nog een mededeling kan worden verwacht.

14/5 – 0.27 uur: ANP brengt bericht, moed houden enz. 0.30 dinsdag onder het spelen van het Wilhelmus zwijgt plotseling Hilversum. 1.05 uur zegt Jaarsveld [een toenmalig radiostation] nog dat de koningin, prinses en gezin te Londen zijn aangekomen. Onder het woordvoeren zwijgt ook Jaarsveld. Onrustige nacht. Te 3 uur te kooi gegaan, maar reeds te 4 uur verschrikt wakker. Koffie gekookt en gedronken.

Later op de dag hoorden we dat de vorige dag de sleepboot die ons een plaats in ‘t Kanaal gewezen had tussen de sluis en de Hembrug bij het terugvaren door een magnetische mijn getroffen en in de lucht was gevlogen, en dat daarbij de bemanning ook grotendeels omgekomen was.

‘s Middags bracht een onder stroom staande gesleepte bak, die hiervoor was ingericht, wederom een magnetische mijn tot ontploffing. Geen ongelukken. In de loop van de dag nog enkele luchtaanvallen op IJmuiden. ‘t Verloop konden wij niet volgen, wijl we te ver aflagen. De Jan Pieterzoon Coen werd vanuit Amsterdam ook naar IJmuiden gesleept. De gehele dag zware rookwolken boven Amsterdam Noord, vermoedelijk brandende stookolie. Ook in de richting Rotterdam hetzelfde beeld. Zo ongeveer tussen 19 en 20 uur zware ontploffing in IJmuiden. ‘s Middags passeerden ons nog 3 Engelse motortorpedoboten naar IJmuiden.

Capitulatie

Te 19.30 uur bereikte ons plotseling de tijding dat de strijd door Nederland was gestaakt. ‘t Geen wij met de grootste verwondering hoorden. Door de radio werd dit echter bevestigd. Te 19 uur had de opperbevelhebber generaal Winkelman van verdere tegenstand afgezien. Te 21.30 uur afgestoomd naar Westzaan en daar gemeerd.

“God behoede ons en ons arme vaderland.”

15/5 – Woensdag: te 20 uur naar Urk gekomen. Konden niet in de haven, wijl deze door grote zinkliggende rijnschepen was versperd. Geankerd en met de boot naar de wal.
20/5/1940 – De botter weer in de haven en volgende week op de werf.

Oorkonde voor Kruis van Verdienste. Toegekend voor optreden in mei 1940. Uitgereikt in 1946.

1941-1946: de oorlogsjaren

Voorspoedige visserij

Wat de verdiensten betreft waren we heel wat verbeterd, want de jaren 1938 en 1939, en ook het eerste oorlogsjaar 1940, waren slechte jaren geweest voor de vissers. Op Urk hadden nogal wat vissers toen het bijltje er bij neergelegd. Vele opvarenden hadden werk gezocht bij de drooglegging van de voormalige Zuiderzee, omdat met vissen geen droog brood te verdienen was. Als men als schipeigenaar eigen zoons had, kon men het iets beter doen. Als ze tenminste vrijgezel waren, want die kregen dan de eerste jaren nog geen loon. Het bleef echter tobben om het hoofd boven water te houden. Besommingen van minder dan Fl. 10.000 per jaar per schip waren geen uitzondering. En in het oorlogsjaar 1940 was het nog minder, omdat er toen ook nog minder gevist kon worden vanwege de oorlogsomstandigheden. Het hele jaar 1940 hadden wij slechts Fl. 6.600 besomd op de botter.

De oorlog werd, hoe gek het ook klinkt, financieel voor de vissers een uitkomst. Ondanks dat er weinig gelegenheid tot vissen werd gegeven, werd er goed verdiend. Vijftig tot zestigduizend gulden per schip in 1941 waren geen uitzondering. Het levensonderhoud en het materiaal om te vissen was ook niet duur. Ook in 1942 werd er door de vissers die hun vaartuig nog hadden zeer goed verdiend. Maar de dreiging hing in de lucht. De Duitsers hadden al vele vissersschepen gevorderd. En we vroegen ons af, meermalen, wanneer zouden wij aan de beurt zijn? En wat we vreesden, gebeurde.

Hoewel? De UK 202 gevorderd

In november 1942 kregen wij de aanzegging dat onze UK 202 gevorderd was door de Duitsers. Onze vistuigen konden wij er uithalen, en dat deden we dan ook grondig, maar het schip moesten wij, zo luidde het bericht, in Amsterdam afleveren. De laatste dagen van november 1942 brachten we al het visserijmateriaal op Urk aan de wal. Kooigoed, alles wat niet vast zat, brachten we van boord. De volgende dag brachten de jongens de botter naar Amsterdam en leverden hem af op de aangegeven plek: bij alle andere schepen die ook gevorderd waren. Dat waren er vóór ons al heel wat geweest, en er zou tot de oorlog voorbij was, nog heel wat bijkomen. We vroegen ons af of we onze botter ooit weer zouden zien. In totaal werden tijdens de oorlog 774 vissersvaartuigen gevorderd en weggevoerd, waarvan er 471 niet terugkwamen.

De UK 202 teruggevonden: een wrak

Onze botter UK 202 werd na de bevrijding het eerst gezien door onze Jan. Op een goede dag in de herfst van 1945 hoorden we van iemand die in Duitsland was geweest het volgende: hij had gehoord dat een konvooi botters vanuit Duitsland was gesleept, maar dat de sleepboot een gedeelte van de schepen die hij achter zich had, had verloren. Sommigen zouden zijn gestrand, en ook onze botter zou daar bij zijn geweest. Natuurlijk moesten we dit bericht gaan natrekken en de volgende week ging grote Jan richting Duitsland.

Het vervoer was in die dagen nog niet optimaal, maar liftend kwam Jan toch in Delfzijl terecht. Vandaar stak hij met behulp van de marine over naar Emden, en verder met een treintje naar het dorpje waar de botter zou moeten liggen. Greetsiel heette het dichtst bij gelegen dorpje, maar het Wad waar de botter zou liggen heette het Pilsumer Wad.

In de namiddag kwam Jan ter bestemder plek. Uitkijkend over het Wad zag hij inderdaad de contouren van een botter. Het was net eb, laagwater, maar ja, hoe droogvoets bij het schip gekomen? Het was nog een behoorlijk eind lopen. En op afstand was de botter niet te herkennen. Dus de stoute schoenen maar aangetrokken. Jan vroeg bij een huisje om een paar laarzen. Na wat aandringen was men toch zo schappelijk om een stel te lenen, en toen het wad op. Naarmate Jan dichterbij kwam, leek het steeds meer de oude UK 202 te zijn. Jan kwam van bakboord op het schip aanlopen en het leek of er niets aan het schip mankeerde. Toen hij echter om de botter heen liep bleek de botter aan stuurboord helemaal open gezaagd te zijn. Meters waren er uit, het was een wrak, en de daders waren bekend, daar had je ook niet om te zoeken. Die waren trouwens druk bezig om de schade nog groter te maken. Een aantal Duitsers was druk aan het zagen. Jan riep de Duitsers toe dat ze stoppen moesten, want dit was een schip waar ze aan het zagen waren. Ze stopten dan ook inderdaad.

Toen Jan echter aan boord klom om eens goed poolshoogte te nemen, zag hij wel dat het zwaar tegenviel. Om te beginnen was de motor er uit. Daar waar de motor gestaan had lag nog wel de ijzeren kap van het motorhok. Het geheel was echter een hopeloze zaak. De botter was niet in de grijze Duitse oorlogskleuren geverfd zoals men altijd deed, maar had nog zijn oorspronkelijke kleur. De schroef zat er ook nog aan, maar voor de rest was het al spoedig bekeken. De UK 202 ‘Niets zonder Gods zegen’ had zijn laatste aanlandingsplaats bereikt.

Toen Jan aanstalten maakte om weer te vertrekken, vroegen de Duitsers of ze weer konden beginnen met zagen. Ja, ga maar door, zei Jan, die er toch geen heil meer in zag. De Duitsers waren alweer druk bezig toen Jan vertrok. Ze konden het hout goed gebruiken voor de kachel, want ook voor hen waren de zegeningen die Hitler gebracht en nagelaten had, bar tegengevallen. Zo kwam deze laatste erfenis nog aardig van pas.

De zon ging al onder en Jan moest voor de nacht nog onderdak zien te krijgen in het land van de vijand zonder bekendheid. Dat zou wel eens tegen kunnen vallen. Jan bracht eerst de laarzen terug, en vroeg meteen maar of hij bij hen niet overnachten kon. De boer was niet zo toeschietelijk, maar de vrouw van de boer gaf de doorslag. Jan mocht blijven slapen. Het was Jan ‘s middags al opgevallen dat de boer veel brandhout op zijn erf had liggen. Nu was het hem wel duidelijk waar dat hout vandaan was gekomen. ‘s Avonds vertelde de boerin hem dat ook haar zoon in de oorlog gesneuveld was.

De andere dag kwam Jan via Emden en Delfzijl weer terug op Urk. We wisten het nu: de botter kon afgeschreven worden. Later ontvingen wij van de Nederlandse regering nog een schadevergoeding van Fl. 12.000 voor het verlies van de botter. Het was een schijntje van dat wat wij verloren hadden.

Monsterboekje Lub Kramer, UK 202. Privécollectie Klaas Kramer.

Licht aan de horizon

Er blonk al weer licht aan de horizon. We hadden tijdens de oorlog al plannen ontwikkeld om na de oorlog een nieuw schip te laten bouwen: een kotter. Scheepstekenaar R.T. Oost heeft de kotter getekend en we hadden ook al met een scheepsbouwer overlegd, zodat direct na de oorlog al begonnen kon worden. De bouwer was Jac. Bodewes uit Hoogezand. Hij leverde in mei 1946 de eerste nieuw gebouwde kotter op. Het schip was 21 m lang, 5.60 m breed en 2.85 m breed. 24 juli was de ‘Mattheüs’ visklaar en voeren wij ter visvangst.

Onze verloren UK 202 had de naam ‘Niets zonder Gods zegen’ gevoerd, de nieuwe kotter noemden wij ‘Mattheüs’. We hadden ervaren dat wij, bij alle oorlogsellende die ons het materieel verlies van onze botter had opgeleverd, desondanks mochten zeggen dat wij er als gezin allemaal goed doorgekomen waren. Dit in tegenstelling tot de persoonlijke verliezen die vele anderen hadden moeten ondervinden. Daarom deze naam ‘Mattheüs’, wat betekent: Geschenk des Heeren!

De bemanning in het logies van de UK 57 ‘Johannes Post’. V.l.n.r. Riekelt van de UK 77, Jaap van Veen, Cees de Ridder, Tiemen de Vries, schipper Jan Kramer (grote Jan), Lukas Kaptein. Datering: jaren vijftig. Privécollectie Klaas Kramer.