Het Jac. P. Thijssepad voerde ons, mijn vrouw en ik, enkele jaren geleden naar het plaatsje Den Hoorn op Texel. Natuurlijk stond het 15e eeuwse witte kerkje op het programma. Uit de in dit Godshuis verstrekte informatie bleek dat de in 1461 gegoten klok in de toren van het kerkje ooit gerust had op de bodem van het IJsselmeer. Het kon niet anders of deze klok behoorde ooit tot de kostbare lading van het scheepje ‘Hoop op Zegen’ van schipper J. van Dijk, dat op de late avond van 6 januari 1945 strandde op de Vormt bij Urk. Aan boord bevonden zich 226 geroofde klokken, eindbestemming: Duitsland. Die bestemming hebben de klokken gelukkig nooit bereikt. Maar laten we bij het begin beginnen.

 

Auteur: Albert van Urk (2007)

Klokkenroof

In juli 1942, midden in de oorlogstijd, verscheen een verordening van Rijkscommissaris Seyss-Inquart, die bepaalde dat voorwerpen bestaande uit koper, lood, tin, nikkel of legeringen daarvan, aangemeld moesten worden bij de ‘Rüstungsinspektion’ ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie. Ook kerkklokken stonden op de lijst.

In de herfst van datzelfde jaar 1942 begon de grote klokkenroof. Vijfenzestig honderd klokken verdwenen uit Nederlandse kerktorens en carillons. Een onwezenlijke stilte viel over stad en land. Met het weghalen van de klokken had zich een Nederlander belast, P.J. Meulenberg, ‘Klokken-Peter’. Deels via onderaannemers zette hij driehonderd arbeiders aan het werk, verdeeld over dertig ploegen. In de herfst van het jaar 1942 gingen ze aan de slag. Men voorzag incidenten. Die kwamen er ook en daarom werd besloten de werkzaamheden in het donker uit te voeren, maar dat bleek onuitvoerbaar. De klokken moesten dus bij daglicht naar beneden worden getakeld, veelal onder de woedende blikken van een talrijk samengestroomd publiek.

In een niet nader genoemde gemeente (volgens later gevonden gegevens zal dat Maasniel geweest zijn) bleek de sleutel van de toren onvindbaar. Toen na vele uren de pastoor onder bedreiging de sleutel moest afgeven, had deze nog één verzoek: of hij voor de allerlaatste keer ‘zijn’ klokken mocht luiden bij wijze van afscheid. Het mocht. ‘Toen de klokken begonnen te luiden…’, aldus het verslag van een propaganda-inspecteur van de N.S.B., ‘stroomden de mensen van alle kanten in drommen toe (of het afgesproken werk was) en namen letterlijk bezit van de kerk en het kerkplein. De bedreigingen en verwensingen waren niet van de lucht. De klokken werden geluid als nooit tevoren, want onder het gegalm van de grote klokken, waaronder één van ongeveer 5 ton, bewoog de toren heen en weer. De plaatselijke politie weigerde in te grijpen, zodat de Feldgendarmerie er aan te pas moest komen om rust en orde te herstellen. Toen bleek dat de touwen waren afgesneden en wel ‘zo hoog mogelijk’. In Groningen stond bij de omlaag getakelde klokken van de A-kerk: ‘Wie met Gods klokken schiet, die wint de oorlog niet’. In Epe (Gld.) vond men een mededeling van gelijke strekking.

Klokkenroof in Naaldwijk. Herkomst foto’s: Historischarchiefwestland.nl

Dr. L. de Jong

Deze gegevens ontlenen we aan deel 7 van ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’. In dat hoofdstuk schrijft dr. de Jong: ‘Het weghalen van de kerkklokken werd immers niet ervaren als het in beslag nemen van willekeurige metalen voorwerpen; veeleer waren de kerkklokken een wezenlijk deel van het leefmilieu’. Sterker nog: hun luiden, hun gebeier (dat men opeens niet meer hoorde – vreemd deed de stilte aan) had, zou men kunnen zeggen, ‘eeuwigheidswaarde’. Het werd geassocieerd met het vooroorlogse Nederland en met het kerkelijk verzet, het preludeerde op de bevrijding. Dan zouden de klokken eerst recht geluid worden! Maar zo ver was het in 1942 nog lang niet.

M-klokken

Meulenberg, de N.S.B.’er uit Venlo/Heerlen, die in opdracht van de Duitsers (maar geenszins onder dwang of bedreiging) zich belastte met het weghalen van de klokken, vond zijn opdracht niet aangenaam, maar voerde die wel uit. Geheel tegen de gemaakte afspraken in werden door zijn mannen ook de met een witte ‘M’ gemerkte klokken weggehaald. Dit waren de monumentale klokken, die al voor het uitbreken van de oorlog op een lijst waren gezet om ze te vrijwaren van een eventuele vordering. Afgesproken was dat deze klokken zouden worden gespaard. Bij genoemde klokken hing een mededeling van de volgende strekking: ‘De Nederlandse regering heeft een zeer beperkt aantal klokken als historische gedenkstukken van de grootste betekenis van vordering vrijgesteld en richt zich tot de bevelhebbers der militaire macht van andere mogendheden met het dringende verzoek deze met een M gemerkte klokken eveneens te sparen.’ Deze mededeling was, behalve in het Nederlands, ook in de Franse, Duitse en Engelse taal gesteld. Soms werd dit verzoek gehonoreerd.

De monumentale klok bijvoorbeeld van het Kerkje aan de Zee te Urk, gietjaar 1461, bleef gespaard. Die van de Bethelkerk, geen M-klok, werd gevorderd en ging verloren. In 1947 werd een nieuwe klok aangekocht. Daar kwam op te staan: ‘De oude ontnam ons de Duitse tyran A.D. 1943. Deze werd verkregen onder Gods zegen A.D. 1947. O God! Wij gedenken Uwer weldadigheid in het midden Uws tempels’. Het Bethelklokje van 1870 overleefde, in een verborgen hoekje, de oorlog en kwam in het Urker museum terecht. De oorlog kostte de Urker gemeenschap dus één klok, maar dat was wel de helft van het toenmalige bestand!

Leerdam

De M-klokken werden opgeslagen in twee aparte opslagplaatsen, één in Giethoorn en één in Leerdam. Dat hadden de verantwoordelijke Nederlandse instanties in ieder geval weten te bereiken. Voorlopig zouden ze met rust gelaten worden. In september 1944, enkele maanden na de geallieerde invasie in Normandië achtten de Duitsers, in het nauw gebracht, de tijd gekomen om deze zeer kostbare klokken af te voeren. In Hamburg waren twee fabrieken waar de klokken via elektrolytische weg werden omgesmolten. Het waren de ‘Norddeutsche Affenirie’ en de ‘Zinnewerke Wilhelmsburg’. Beide fabrieken waren al eens gebombardeerd.

Op 23 oktober 1944 werd het klipperschip ‘Hoop op Zegen’ van schipper J. van Dijk uit Dordrecht door de Duitse Wehrmacht gevorderd om de M-klokken van de opslagplaats in Leerdam naar Duitsland te vervoeren. Omdat Van Dijk niet bereid was om dit onvaderlandse werk uit te voeren (hij verliet zijn schip), werd een gelegenheidsschipper aangezocht, de onervaren Marten Homma. Op vrijdag 3 november was het schip geladen. Ongeveer een week later vertrok het schip met bestemming Emden. Waarschijnlijk is nog geprobeerd het schip tot zinken te brengen. Enige dagen na het vertrek verscheen er een geallieerd vliegtuig boven Leerdam dat rondcirkelde ‘alsof het iets zocht’. De ‘Hoop op Zegen’ was toen echter al enkele dagen onderweg.

Klokkenroof in Wateringen. Herkomst foto’s: Historischarchiefwestland.nl

Konvooi

Waarom de tocht naar Amsterdam (vandaar zou men oversteken naar Lemmer) zo lang geduurd heeft is niet bekend. Misschien is alleen ’s nachts gevaren met het oog op het risico van beschieting overdag. Op 6 januari was het goed weer. Er stond een matige zuidwestenwind en het zicht was redelijk tot goed. Het klipperschip ‘Hoop op Zegen’, in 1879 gebouwd, maakte deel uit van een groot konvooi, gesleept door de Duitse sleepboot BS14. Traag ploegde de sleep zich tijdens die late zaterdagavond een weg door het IJsselmeer. De vuurtorens langs de kust waren gedoofd of afgeschermd. Ter hoogte van de zandbank ‘De Vormt’ (nog altijd berucht bij de scheepvaart) strandde het gehele konvooi. Bij het krieken van de dag telde men elf vaartuigen in ontredderde toestand. Acht schepen konden worden binnengesleept en vonden tijdelijk een ligplaats in de Urker haven. Drie schepen bleven zitten, namelijk de ‘Wijkdienst X’, geladen met ijzer, de ‘Vertrouwen’, geladen met touw, en de ‘Hoop op Zegen’, het klokkenschip met als zetschipper de heer M. Homma.

Berging

De machinefabriek Fa. A. Hoekman en Zonen kreeg van de Duitsers de opdracht om het schip vlot te trekken. Ze hadden geen betere keus kunnen maken. De Hoekmannen stonden op Urk bekend als zeer goede Vaderlanders. Broer Pieter Hoekman was vanuit Engeland als geheim agent gedropt en in 1943 als gevolg van verraad gesneuveld. Aangezien de bestemming van de klokken weinig te raden overliet, zullen de gebroeders wel tot de slotsom gekomen zijn dat berging van de klipper niet wenselijk was. Ze konden trouwens onweerlegbare bewijzen overleggen. De zijkant van het schip was over een lengte van acht meter opengescheurd en het vlak (de bodem) was zwaar beschadigd. Alleen de lading was, en bleef, gedurende de rest van de oorlog geheel intact.

Op 1 augustus 1997 ontving F. Van der Zande uit Castricum, eveneens een naarstig onderzoeker van het verhaal van het klokkenschip, na een oproep in ‘Schuttevaer’, een reactie van J. Krikke, kapitein van de Rijnvaart. Krikke wist uit de verhalen van zijn vader het volgende te melden: ‘Tijdens de oorlogsjaren kreeg mijn vader opdracht samen met nog drie collega’s met hun sleepboten een schip van de Vormt te trekken. Tijdens een bespreking die de kapiteins onder elkaar hielden, werd een plan gesmeed om te proberen het schip daar NIET vandaan te halen. Het plan was om de sleepverbinding zodanig vast te maken, dat door de enorme kracht die vier sleepboten konden ontwikkelen, de bolders waarop de sleepverbinding was gemaakt, afgesneden zouden worden. Hetgeen ook gebeurde. Bovendien wisten de bergers te bewerkstelligen dat zij nog een laatste inspectie zouden mogen uitvoeren om de Duitsers ‘gerust te stellen’. Toen zij het schip verlieten, vergaten ze opzettelijk de roeden, ijzeren stangen die voor de kleppen van de luiken langs worden gestoken, er weer voor te doen. Een zuidwester storm deed de rest.’ Krikke eindigt met de opmerking: ‘Geholpen door de elementen water en wind en de manier waarop deze berging werd uitgevoerd, kan men wel spreken van een sabotage- of verzetsdaad.’

Hongerwinter

De ‘Hoop op Zegen’ bleef muurvast zitten op enkele honderden meters van Urk verwijderd. Somber klotsten de golven van het IJsselmeer rond en boven de tot zwijgen gebrachte klokken. Voor de Urker bevolking werd het eveneens een trieste winter. Trouwens, voor welke landgenoten niet? Honderd Urker mannen en jongens waren opgepakt en ingelijfd in het Duitse leger of hulpdiensten daarvan. De hongerwinter, die vooral het westen van Nederland zou treffen, was begonnen. De geallieerde opmars, zo hoopvol begonnen was tot staan gebracht. Wie zou zich nog druk maken over een klokkenschip? Uit de schaarse berichtgeving van de Oprechte Urker, een Urker krantje, doemt tussen de regels door een somber beeld op: dat van angst, onzekerheid en schaarste. Op de kruin van de Noordoostpolderdijken bij Urk lag nog steeds puin van het gebombardeerde Rotterdam…

‘Eben Haëzer’

In het verloop van de maand januari is nog geprobeerd het wrak van het klokkenschip te lichten. De werkzaamheden werden belemmerd door storm, ijs, mist en regen. Toen eindelijk de weersomstandigheden kenterden, bleek het wrak in tweeën gebroken en berging onmogelijk. De bergploeg Hijlkema/Meester, bestaande uit zeven personen, staakte de werkzaamheden op dinsdag 15 januari 1945 en keerde onverrichterzake terug.

Eind juli 1945 werd begonnen met het bergen van de lading. Uit dagboekaantekeningen van de Urker havenmeester kennen wij het verloop van het verhaal. Verdeeld over vijf werkdagen werden in totaal 226 klokken en 145 klepels geborgen. Ze werden op Urk aan land gebracht en tijdelijk opgeslagen in de hoek bij het strand op de Westhaven. Met de ‘Eben Haëzer’ schipper Jan van Laar, werd de kostbare lading donderdag 9 augustus naar Amsterdam gebracht. Vanuit de hoofdstad gingen de klokken terug nar de rechtmatige eigenaren.

Het slot van de geschiedenis van het klokkenschip tekenden wij op uit de mond van Meindert Hakvoort, werfbaas van de gelijknamige werf: ‘In de winter van 1963/64 zijn we met z’n drieën over het ijs naar het klokkenschip toegegaan en hebben het met branders gesloopt. Het oud ijzer brachten we met een slee naar de werf en het kostte ons meerdere tochten om alles goed en wel naar Urk te brengen. Onze arbeid bleef niet onbeloond: we beurden 300 gulden. Een aardig bedrag voor die tijd.’

Berging klokken juli 1945 – in het schip. Foto’s: A. van Urk

Schipper Van Dijk

Wat is er geworden van schipper Van Dijk, de man die zo dapper geweigerd had om voor de Duitsers te werken? Van Dijk, toen 65 jaar, was niet alleen zijn woning en inboedel kwijt, maar ook de broodwinning van hemzelf en voor zijn zoon die hem in het bedrijf zou opvolgen. Hij kreeg een uitkering van 14 gulden per week. De waarde van het schip werd door deskundigen getaxeerd op 15.000 gulden. De Rijksinspecteur van de kunstbescherming, J. Kalf, stelde in juni 1945 voor om een waarborgfonds te vormen van maximaal 10.000 gulden, teneinde de gedupeerde schipper in staat te stellen een nieuw schip te kopen. Dat waarborgfonds was bedoeld als aanvulling op de te verwachten uitkering van het rijk.

Om dit doel te bereiken werd aan de eigenaars van de geborgen klokken, kerken en gemeenten, een bijdrage gevraagd van 75 gulden. De oproep bracht slechts 2990 gulden op, en dat voor een man die zijn leven had gewaagd voor 226 Nederlandse klokken. Maar zijn naam zal blijven voortbestaan.

Onderstaand gedicht is te vinden in de ingang van de kerktoren van de Hervormde Kerk in Poortugaal in de zuidelijke muur. Het opschrift is van A. van Zanten, hoofdverpleegkundige van ‘’Maasoord”, nu het Delta psychiatrisch Centrum in Poortugaal, als bekroond antwoord op een prijsvraag, uitgeschreven door de Oranjevereniging “Oranje Nassau” uit Poortugaal, die de plakette heeft aangeboden aan de gemeente. Helaas heeft het vocht de steen aangetast en is restauratie noodzakelijk.

In drie jaar klonk mijn stem niet meer,
‘k Lag op de bodem van het IJsselmeer.
Heldenmoed van schipper Van Dijk,
Liet mij daar zakken in het slijk.
Maar nu jubel ik het uit,
Besef, o mens, wat dit beduidt.
Geloof van mij, dat God gewis,
In nood en dood uw redder is.

28 juni 1943 – 8 januari 1946

Dat de inhoud van dit gedichtje niet geheel conform de waarheid is, nemen we maar op de koop toe!

Urk – de klokken op de havenkant – Juli 1945. Foto’s: A. van Urk

De nasleep

In het najaar van 2006 vindt Jelle Visser, vrijwilliger bij museum ‘Het Oude Raadhuis’, een ongedateerde brief van havenmeester C. Zeeman, gericht aan burgemeester G. Keijzer. Uit deze brief blijkt dat twee personen een doorslaggevende rol hebben gespeeld bij de stranding van het klokkenschip en het veiligstellen van de kostbare lading: 220 cultuurmonumenten. Dat zijn Jacob Schraal, de toenmalige vuurtorenwachter, en Fokke Hoekman, de leider van de bergingsploeg. De eerste doofde bij aankomst van het konvooi het (nood)licht van de vuurtoren, de tweede zorgde ervoor dat bij de eerste bergingspoging de borgpinnen van de luiken werden verwijderd en overboord gegooid. Bij de eerste de beste storm sloegen daardoor de luiken los en zakten schip en lading weg in het zand van de Vormt. Als derde noemen we schipper J. van Dijk uit Dordrecht, die zich een ware vaderlander toonde met verlies van schip en broodwinning.


Lijst met klokken

Klokkenschip gevonden op 17 augustus 2012
Door enkele plaatselijke duikers is in de zomer van 2012 het klokkenschip aangetroffen op de Vormt van Urk.

Lees meer over de klokkenroof op:

Video is niet afkomstig van Stichting Urk in Oorlogstijd