Ik zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwigen naam zal Ik een ieder van hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.

[Jesaja 56:5 Statenvertaling]


Urk in oorlogstijd: hulp aan Joodse medemensen.

Aan het begin van de  Tweede Wereldoorlog veranderde de status van het eiland Urk in een schiereiland. Een typerend kenmerk voor de inwoners van Urk was dat zij samen een hechte gemeenschap vormden, met christelijke normen en waarden. Mede daardoor, waren diverse Urkers nauw betrokken bij het geven van hulp aan hen die dat nodig hadden. Te denken valt aan het helpen van geallieerde vliegeniers, bleekneusjes en onderduikers.

Stichting Urk in Oorlogstijd wil middels deze pagina alle verhalen een gezicht geven van hun die hulp zochten én hulp aanboden. In het bijzonder van de Joodse medemensen. Zo raken zij niet in de vergetelheid.

Auteur: M. Fleurbaaij
Onderzoek: Stichting Urk in Oorlogstijd


MENU

e

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Louis Cohen

Herkomst: Fam. Cohen

 

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

Louis Cohen

De joodse Louis Cohen (Amsterdam, 09-02-1924 – Melborne, 25-03-2016) woonde tijdens de Tweede Wereldoorlog met zijn ouders, Isidoor en Frederika Cohen en broer Joop in Amsterdam. In juli 1942 kreeg Joop een oproep om zich voor werk in Duitsland melden. Joop vertrok naar Duitsland. Zijn ouders werden in augustus bij één van de grootste razzia’s in Amsterdam opgepakt. Na de deportatie van zijn ouders maakte Louis nog verschillende razzia’s mee. Louis besefte dat hij moest onderduiken om in leven te blijven. Hij had connecties bij het verzet. Op 1 september 1943 vertrok de 18-jarige Louis uit Amsterdam. Hij werd vergezeld door Cees Beernink oftewel ‘Rooie Cees’, een bekende Zaanse verzetsstrijder die binnen de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO) actief was. Met de trein reisden zij naar Enkhuizen waar Louis overgedragen werd aan een andere verzetsman met wie hij op de boot naar Kampen stapte. Daar meldde hij zich bij de Directie Wieringermeer. De nieuwe polder was een toevluchtsoord voor onderduikers omdat de arbeiders vrijgesteld waren van Arbeitseinsatz. Louis Cohen kreeg een Ausweis op naam van Gerardus Alphonsus Spiekerman en werd gehuisvest in Kamp Zwartewater.

Op 17 november 1944 ontkwam Louis Cohen aan de grote razzia in de Noordoostpolder. Hij hield zich drie dagen en nachten schuil in de polder. Vervolgens is hij in een roeiboot naar Urk gebracht en kreeg een adres op waar hij zich moest melden. De eerste dagen verbleef Louis bij Marretje en Lumme Nentjes, de snoepvrouwtjes. Vanwege gebrek aan ruimte verhuisde hij naar Gerrit en Marretje Kramer-Koffeman, die een bakkerij en boerderij hadden. Omdat Louis niet verstopt kon worden werd hij geïntroduceerd als Gerard, een familielid die uit de stad kwam. Als Gerard Kramer kon hij zich vrij bewegen op Urk en hielp mee met het rondbezorgen van brood en met werkzaamheden op de boerderij. Bij gevaar verstopte hij zich op de hooizolder boven de koeienstal.

Na de bevrijding keerde Louis Cohen terug naar Amsterdam. Daar bleek dat niemand van zijn familie de oorlog overleefd had. Zijn verloofde was nog wel in leven. In juni 1946 trouwden zij en Louis startte een detailhandel in Amsterdam. In 1951 vertrok hij met zijn vrouw en drie dochters naar Australië om zich daar permanent te vestigen. In 2000 heeft Louis Cohen zijn oorlogsherinneringen onder de titel ‘Just for the record’ aan het papier toevertrouwd.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Gerrit en Marretje Kramer

 

Gerrit Kramer (Urk, 02-09-1905 – Urk, 20-07-1979) en zijn vrouw Marretje Kramer-Koffeman (Urk, 23-10-1907 – Urk, 20-07-1984) hadden een bakkerij en kleine boerderij op Wijk 2-102. Urk was destijds verdeeld in wijken, er waren geen straatnamen. Tijdens de oorlog hadden zij meerdere onderduikers die op de boerderij en in de bakkerij werkten. De joodse jongen Louis Cohen, die op Urk als Gerard Kramer door het leven ging, zat vijf maanden bij de familie Kramer ondergedoken. Omdat het voor hen onmogelijk was om Louis voor lange tijd te verbergen was hij de enige die in het gezin meedraaide. Hij werd voorgesteld als een familielid uit de stad, uitgenodigd om bij hen te blijven om zijn ouders te verlichten door de situatie met de voedselvoorraad. Dankzij de familie Kramer overleefde Louis Cohen samen met de elf andere onderduikers de oorlog.

Gerrit en Marretje Kramer kregen op 11 november 2014 postuum de Yad Vashem onderscheiding uitgereikt omdat ze Louis Cohen in de oorlog hadden geholpen. De onderscheiding bestaat uit een medaille en een oorkonde met de vermelding van hun namen. Daarnaast werden in Yad Vashem, de nationale Israëlische gedenkplaats, hun namen in een plaquette aangebracht aan een eremuur. Gerrit en Marretje Kramer waren zich waarschijnlijk niet bewust van het daadwerkelijke gevaar dat erin schuilde om mensen een schuilplaats te bieden. Volgens de dochters van het echtpaar waren ze twee nuchtere, gelovige mensen die het als hun plicht zagen om Joden te helpen. Zo ervoer Louis Cohen de familie Kramer ook. Hij zei hierover: “De familie Kramer vond innerlijke vrede in hun geloof. Ze vertelden mij dat mensen te redden van de ‘oude religie’ hun hoofddoel was”.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De familie Kramer

Herkomst: Mevr. A. Kramer

 
E

 

Max Pach uiterst links, Peter Miskinis een Amerikaanse vliegenier en Jan Hakvoort zoon van Pieter Hakvoort

Herkomst: Mevr. J. Gerssen-Hakvoort

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

Max Pach

 

Max Pach (Amsterdam, 08-02-1925 – Australië, 23-02-1995) was zoon van Eliazer Pach en Elisabeth Pach-Cohen. Hij was enig kind. Ruim een jaar na de geboorte van Max trok het gezin in bij de ouders van Elisabeth, die in de Den Texstraat op nummer 29 in Amsterdam-Centrum woonden. Op 10 september 1939 overleed moeder Elizabeth op 49-jarige leeftijd aan een hersentumor. Vader Eliazer hertrouwde op 26 februari 1941 met zijn schoonzuster Bertha Cohen (Amsterdam, 09-01-1894 – Auschwitz 27-08-1943) die ook bij haar ouders inwoonde. Bertha was tot april 1940 gehuwd met Levi Ketellapper met wie zij zoon Isaac (Amsterdam 18-04-1918 – Auschwitz, 27-08-1944) kreeg.

Vanaf eind februari 1941 werden in Amsterdam grootscheepse razzia’s op joden gehouden. Bertha, Max en Isaac doken, onafhankelijk van elkaar, onder. Max kreeg onderdak bij Dick Kers, een familievriend die met zijn vrouw in de Vondelstraat in Amsterdam woonde. Vader Eliazer werd opgeroepen voor ’werk’ in Duitsland. In de veronderstelling dat hij zijn familie kon sparen voor verdere vervolging meldde hij zich. Op 15 september 1942 werd hij gedeporteerd naar Polen, waar hij op 10 oktober 1942 overleed in Auschwitz, 59 jaar oud. Het werd te gevaarlijk in Amsterdam en Max vertrok. Dick Kers bracht hem onder in Oisterwijk. Nadat Max daar verraden was trok hij op 18 augustus 1943 naar Urk om bij Pieter ten Napel in huis onder te duiken. Op Urk kreeg Max Pach de naam Jaap Harnas. Na acht maanden kwam Max terecht bij het gezin van Pieter en Aaltje Hakvoort-Loosman. Zij gaven hem onderdak in hun woning. Zijn schuilplaats bevond zich in het ‘duikershol’ in de timmerschuur, onder een plaat hout met snippers van de schaafmachine. Max sprak goed Engels, daarom trad hij regelmatig op als tolk voor Engelse of Amerikaanse vliegers die ook bij het gezin Hakvoort ondergedoken zaten voor ze elders werden ondergebracht. Max kreeg regelmatig bezoek uit Amsterdam die hem geld en shag bracht. Dit was waarschijnlijk Dick Kers.

Pieter Hakvoort werd op 29 mei 1944 door de Duitsers gearresteerd. De dag daarna vertrok Max Pach via de Landelijke Ondergrondse naar een onderduikadres in Hillegom. Max overleefde de oorlog en nam weer zijn intrek bij Dick Kers. Max trouwde in 1947 met Riek. In 1949 vertrokken zij naar Hong Kong waar Max ging werken bij de Java-China-Pakketvaartlijn. Kort was hij gestationeerd in Indonesië, keerde terug naar Hong Kong en werd in 1968 overgeplaatst naar Japan. Vandaar werd hij overgeplaatst naar Sidney, Australië. Na 11 jaar liep zijn huwelijk stuk, Riek en zijn dochter keerde terug naar Nederland. In Australië trouwde Max met Joselyn en zij kregen twee dochters. Max Pach overleed in 1995 op 70-jarige leeftijd in Australië.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Pieter ten Napel 

Pieter ten Napel (Urk, 18-08-1904 – Urk, 31-05-1983) trouwde op 28 februari 1934 met Jannetje Nentjes die ruim drie jaar later op 17 oktober 1937 overleed. Pieter werkte als voorman voor Zuiderzeewerken in de Noordoostpolder. In 1941 werd hij sympathiserend lid van de N.S.B. De ‘sympathiserende leden’ betaalden contributie maar namen geen deel aan de werkzaamheden. Na 8 weken kreeg Pieter spijt en bedankte weer voor het lidmaatschap. Pas in 1942 werd hij door de partij geroyeerd. In de winter van 1941 – 1942 bracht hij, tijdens een razzia in Amsterdam, de joodse man Jacob Kropveld van Amsterdam naar zijn broer Hendricus in Wormerveer, waar hij hem liet onderduiken. Pieter verleende hulp aan onderduikers, Joden en bemanningsleden van geallieerde toestellen die in de Noordoostpolder neerkwamen. Van 18 augustus 1943 tot 18 april 1944 bood hij in zijn woning Wijk 8-37 onderdak aan de joodse jongen Max Pach.

Op 27 november 1943 hertrouwde Pieter in Krommenie met Eltje de Boer (Urk, 08-10-1905 – Urk, 16-04-1990). Eltje was de weduwe van verzetsstrijder Cornelis (Cees) van Otterlo die op 3 mei 1942 door de Duitsers in concentratiekamp Sachsenhausen was doodgeschoten. Met hem kreeg ze vier kinderen. Pieter ten Napel wordt één dag na de bevrijding van Urk, op 18 april 1945, uit door de NBS Urk uit zijn huis gehaald en overgebracht naar Lemmer omdat hij lid geweest was van de NSB. Hij heeft gevangen gezeten in Kamp Espelervaart. Verschillende mensen hebben pleitbrieven geschreven om hem weer vrij te krijgen. Ook Max Pach had een brief geschreven waarin hij verklaarde dat hij bij Pieter ten Napel ondergedoken had gezeten en dat Pieter hem tijdens een razzia had verborgen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pieter ten Napel 

Herkomst: Museum Urk

 
 
 

 

 

 

 

E

 

Pieter & Aaltje Hakvoort

Pieter Hakvoort (Urk, 01-05-1886 – Neugamme, 22-12-1944) was getrouwd met Aaltje Loosman (Urk, 28-09-1887 – Urk, 28-05-1964). Ze kregen vijf kinderen: Klaas, Jan, Jannetje, Andries (de Fluks) en Lummetje. De familie stond erom bekend dat ze goed deden voor anderen. De deur van hun woning op wijk 1-20 stond altijd voor iedereen open. In 1942 bood Pieter Hakvoort de op Urk wonende joodse familie Kropveld aan bij hen onder te duiken, maar Japien de Jode, zoals hij op Urk genoemd werd, weigerde omdat hij niemand tot last wilde zijn.

Hakvoort werd voor het eerst met het verzet geconfronteerd toen de 18-jarige joodse jongen Max Pach bij hem werd gebracht. De familie gaf Max onderdak in hun eigen huis. Hij kreeg de schuilnaam Jaap Harnas, naar zijn echte naam werd uit veiligheidsoverwegingen niet gevraagd. De familie Hakvoort verleende ook onderdak aan andere mensen die door de Duitsers werden gezocht. Zo werd hun huis een doorgangshuis voor joden en geallieerde vliegers wiens toestel in de polder was neergestort. Max Pach sprak goed Engels en trad regelmatig op als tolk. Pieter was scheepstimmerman en gebruikte de schuur onder zijn woning als timmerwerkplaats. Onder de schaafbank was een schuilplaats gegraven voor ongeveer 5 personen, de ingang van het ‘duikershol’ was afgedekt met een dikke plaat hout.

Door gastvrijheid aan joden en geallieerde vliegers te verlenen, werd de familie Hakvoort steeds meer bij verzetsactiviteiten betrokken. Pieter zat in het georganiseerde verzet, was aangesloten bij de Landelijke Ondergrondse en had een radio waarmee naar Radio Oranje werd geluisterd. Ook zijn zonen Klaas en Jan en aanstaande schoonzoon Andries Pasterkamp, de verkering van Lummetje, zaten in het verzet. Het ‘duikershol’ is niet alleen door onderduikers gebruikt, maar ook door de familie Hakvoort zelf, wanneer er razzia’s op Urk waren. Op maandag 29 mei 1944 werd Pieter Hakvoort door de Duitsers gearresteerd en naar Neugamme in Duitsland getransporteerd. Pieter keerde niet meer terug op Urk. Hij stierf op 58-jarige leeftijd in Aussenlager 9 van het buitenkamp Meppen-Versen aan dysenterie.

Vlak na de Tweede Wereldoorlog werden delen van de Wijken op Urk hernoemd. Sommige kregen de naam van een verzetsstrijder. In Wijk 1 werd een straat vernoemd naar Pieter Hakvoort.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Pieter Hakvoort, Peter Miskinis, Aaltje Hakvoort

Herkomst: Mevr. J. Gerssen-Hakvoort

E

 

Fokke en Hiltje Snoek

Herkomst: Museum Urk

 
 

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Fokke en Hiltje Snoek

Fokke Hesselsz Snoek (Urk, 03-08-1893 – Enkhuizen, 06-08-1941) was getrouwd met Hiltje Jans van den Berg (Terschelling, 12-10-1896 – Urk, 24-06-1971). Voor de Tweede Wereldoorlog was Urk nog een eiland en telde 3500 inwoners. Van één bedrijf kon je niet bestaan. De familie Snoek had naast een schildersbedrijf ook een scheerwinkel annex handel in rookwaren en na de dood van vader Hessel Jacobz Snoek in 1926 een ijsfabriek, meestal ijskelder genoemd. De ijskelder en het schilderbedrijf waren door de oorlog stil komen te liggen. Toen Fokke Snoek in 1941 plotseling op 47-jarige leeftijd aan een hartaanval overleed bleef Hiltje achter met 9 kinderen, 5 jongens en 4 meisjes. In 1943 werden de zonen Jan (23), Hessel (21) en Sjoerd (19) opgeroepen om in Duitsland te gaan werken. Zij meldden zich niet, dus waren vanaf die tijd onderduikers.

Toen de schuilplaats in de woning op Wijk 5-34 te veel bekend werd wilden zij die niet meer gebruiken. Besloten werd om in de ijskelder op Wijk 2-34 bij de haven, die bewoond werd door vijf gezinnen behorende tot de familie Snoek, bergplaatsen te maken. De ijskelder was een hoog, wit stenen gebouw, van binnen verdeeld in diverse ‘ijshokken’, alle van dikke muren voorzien. De 1,5 m hoge ruimte tussen twee zolderingen werd als schuilplaats ingericht, evenals een ondergrondse drinkwaterbak die buiten gebruik was. Het was via familie en vrienden spoedig een publiek geheim dat er in de ijskelder een grote schuilplaats voor zo’n 30 personen was, onvindbaar voor mensen die er niet bekend waren. De ijskelder bood onderdak aan mensen die absoluut ongezien moesten blijven, bijvoorbeeld lieden die na verlof in Duitsland niet meer terug wilden. Ook verschillende joden en bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen zijn er verborgen geweest. Tegen het einde van de oorlog zat er nog slechts één onbekende  joodse man in de ijskelder ondergedoken.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Klaas & Grietje Hakvoort

Bij Klaas Hakvoort en zijn vrouw Grietje Hakvoort-de Vries zat een onbekende Joodse man in huis. Toen de man ziek werd is hij ondergebracht in de ijskelder van de familie Snoek. Jan Snoek vertelde later: “Tegen het einde van de oorlog was er in de ijskelder nog één joodse onderduiker. Door de kou was hij regelmatig ziek. Van dokter Jan Andriessen kreeg hij medicijnen. Hij had een lastig karakter. De komst van de bevrijding duurde hem te lang, hij werd ongeduldig. Met veel tact en wijsheid moesten we met hem omgaan. Later begreep hij dan wel dat alles werd gedaan om zijn bestwil. Toen dan eindelijk de bevrijding een feit was nam hij afscheid van ons en bedankte allen die hem verzorgd hadden. Nog steeds denk ik aan die mensen die deze jongeman met gevaar voor eigen leven trouw elke dag verzorgden met eten en schoon wasgoed”. 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klaas Hakvoort en  Grietje Hakvoort-de Vries

Herkomst: Museum Urk

E

 

Riekelt en Hendrikje Snoek  

Herkomst: Museum Urk

 
 

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Riekelt en Hendrikje Snoek

Riekelt Snoek (Urk, 24-06- 1910 – Urk, 30-09- 1990) trouwde op 14 oktober 1938 met Hendrikje de Vries (Urk, 27-07- 1914 – Urk, 28-05- 2002). Na een oproep van Radio Oranje op 17 september 1944 legden 30.000 personeelsleden van de NS het werk neer. Het westen van Nederland had ernstig te lijden onder de spoorwegstaking. De voedselsituatie verslechterde. Tientallen ondervoede kinderen uit Amsterdam werden met boten naar het oosten gebracht om de Hongerwinter te overleven. In november 1944 meerde een rijnaak met 80 kinderen in de haven van Urk aan, die de volgende dag zijn tocht vervolgde. Een 4-jarig jongetje was tijdens de bootreis zo ziek geworden dat hij werd toevertrouwd aan de zorgen van Riekelt en Hendrikje Snoek-de Vries. Dokter A. Vonk behandelde de jongen maar gaf hem weinig overlevingskans. Riekelt junior, zoals hij door het echtpaar Snoek genoemd werd, vocht voor zijn leven. Langzaamaan kwam hij meer buitenshuis. Dat leverde problemen op. Het begon steeds meer mensen op te vallen dat Riekelt jr. een joods uiterlijk had. Omdat er op Urk 23 NSB'ers waren vond vader Riekelt de situatie te  gevaarlijk worden. Riekelt en Hendrikje besloten Riekelt jr te laten onderduiken in de ijskelder. Hij overleefde de oorlog.

In de zomer van 1945 werden de meeste bleekneusjes weer met hun familie herenigd. Maar omdat er niets bekend was over de ouders van Riekelt jr. bleef de jongen na de oorlog op Urk. In 1948 werd de ware identiteit van het kind vastgesteld door het Rode Kruis. Zijn naam was Frans Frankenhuis. Zijn moeder kwam op bezoek, maar Frank wilde niet met haar mee. Frank Frankenhuis heeft zijn verdere jeugd op Urk doorgebracht, als pleegkind van Riekelt en Hendrikje Snoek.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Frans Frankenhuis

Frans Frankenhuis werd in 1940, aan het begin van de oorlog, geboren. Hij had een Joodse vader en een niet-Joodse moeder. In 1944 riep de Nederlandse regering op tot een Spoorwegstaking. Het westen van Nederland had ernstig te lijden onder de staking. De bevolking kwam in de hongerwinter terecht omdat de voedseltoevoer gestopt was. Op intitiatief van het Rode Kruis, de kerken en vrijwilligers werden tientallen ondervoede kinderen uit Amsterdam met boten naar het noorden gebracht om de Hongerwinter te overleven. De 4-jarige Frans werd aan boord van de rijnaak zo ziek dat hij in Urk van boord moest. Hij werd ondergebracht bij Riekelt en Hendrikje Snoek-de Vries. Het echtpaar schakelden de hulp in van dokter A. Vonk die het jongetje weinig overlevingskans gaf. Nadat hij een maand voor zijn leven had gevochten, overwon het kindje de ziekte. Omdat zijn naam niet bekend was werd de jongen Riekelt junior genoemd. Langzaamaan kwam Riekelt jr. meer buitenshuis. Vader Riekelt vond dit gevaarlijk worden omdat het steeds meer mensen opviel dat Riekelt jr. een joods uiterlijk had. Het echtpaar Snoek besloot om hem in de ijskelder te laten onderduiken. 

Riekelt jr. overleefde de oorlog. In 1948 kwam Het Rode Kruis met het bericht dat de naam van de jongen Frans Frankenhuis was. Zijn moeder kwam op bezoek maar Frans wilde niet met haar mee. Hij heeft zijn jeugd op Urk doorgebracht. Daarna verliet Frans Urk. Hij ging op zoek naar informatie over zijn familie en ontdekte dat zijn vader en vele ooms, tantes en nichtjes in de oorlog door de Duitsers in de vernietigingskampen waren omgebracht. Frans trouwde met Anna (1941) en zij kregen 5 kinderen. In zijn werkzame leven was hij schipper op zandzuigerschepen. In 2012 emigreerde Frank op 72-jarige leeftijd met zijn vrouw naar Israël waar één van hun zonen met zijn gezin woont.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Frans Frankenhuis voor op de fiets 

Herkomst: Dhr. F. Frankenhuis

E

 

 

Klaasje Ras, Rachel Tafelkruijer en Albert Ras

Herkomst: Mevr. P. Wakker-Ras

 

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Rachel Tafelkruijer

Rachel Tafelkruijer (Amsterdam, 11-09-1887 – Arnhem, 23-11-1981) was een dochter van diamantslijper Meijer Tafelkruijer en Clara Streep. Zij werd geboren als jongste van zeven kinderen. Op 4 augustus 1920 trad zij in Amsterdam in het huwelijk met de slager Siegfried Cohen (Hengelo, 2-08-1890 – Mauthausen, 30-09-1941). Het jonge paar vestigde zich in Hengelo.

In de nacht van 13 op 14 september 1941 werd Siegfried bij de Twentse razzia opgepakt. Hij werd overgebracht naar Mauthausen in Oostenrijk waar hij overleed. Als één van de weinigen had Rachel door dat ze maatregelen moest nemen om uit de greep van de Duitsers te blijven. Zij zocht contact met de heer Nijhuis die evenals Siegfried bestuurslid was bij het Rode Kruis. Nijenhuis zag kans om haar in het Algemeen Ziekenhuis in Hengelo te laten onderduiken.

In 1942 kreeg Rachel onderdak op Urk, bij Martinus Nijenhuis en zijn vrouw Wilhelmina Nijenhuis-van Delft, familie van de heer Nijenhuis uit Hengelo. Martinus Nijenhuis was chef van het stoomgemaal. De familie was bevriend met Albert en Klaasje Ras. Hun oudste dochter Willy was bij de familie Nijenhuis in dienst. Door Willy kwam Klaasje erachter dat Rachel Cohen het niet erg naar haar zin had. Nijhuis was bang dat ze gezien werd en daarom mocht ze niet meer van haar kamer af. Via Albert Ras werd Rachel Cohen ondergebracht bij Hielke Vos (1903-1949) en zijn vrouw Willie Vos-Wakker (1906-1975) die eveneens op de Sluisput woonden. Maar Willie (Wip) werd bang en ook hier moest Rachel weg. Uiteindelijk werd Rachel Cohen opgenomen in het gezin van Albert en Klaasje Ras-Visser waar ze 2,5 jaar zou verblijven. Rachel werd tante Annie genoemd omdat ze een vals persoonsbewijs op naam van Annetje Kramer had, waarvoor Cees Koffeman had gezorgd die op het gemeentehuis werkte.

Rachel Cohen-Tafelkruijer ontmoette na de oorlog Levi (Lee) Colthof (Oude Pekela, 23-03-1882 – Amsterdam, 22-09-1960) uit Den Helder wiens zuster Carla in Hengelo was ondergedoken. Het paar trouwde op 2 september 1946 en vestigde zich in Amsterdam. Regelmatig kwamen ze op Urk. Na het overlijden van Lee in 1971 verhuisde Rachel Colthof-Tafelkruijer naar Arnhem, waar ze 10 jaar later op 94-jarige leeftijd overleed.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Albert en Klaasje Ras

Albert Ras (Urk, 17-10-1900 – Urk, 10-01-1979) was getrouwd met Klaasje Visser (Urk, 05-07-1904 – Urk, 17-04-1991). Albert ging tijdens de crisisjaren, zoals vele Urkers, wonen en werken in Koog aan de Zaan. Maar heimwee bracht het gezin terug naar hun geboortegrond. Albert werd magazijnmeester bij de Dienst der Zuiderzeewerken. In 1942 boden ze de weduwe Rachel Cohen-Tafelkruyer een onderduikplek in hun woning op de Sluisput. De dochters in het gezin waren toentertijd 10, 13 en 15 jaar oud. Dat bracht een groot risico met zich mee wanneer één van hen hun mond voorbij zou praten. De jongste van de drie verwoordde het later zo: “in de oorlog heb ik geleerd mijn mond te houden als kind, ik leerde liegen voor ons aller veiligheid”.

Bij Albert en Klaasje kwam in die tijd nog een joodse onderduiker in huis, de 17-jarige Rachel Lewin of zoals ze op Urk genoemd werd Betsie. Voor de familie Ras was het na drie maanden klaar. Ze hadden het vermoeden dat Betsie een geestelijke klap had opgelopen van wat ze had meegemaakt. Betsie gedroeg zich niet naar haar leeftijd, maar veel jonger. Betsie werd naar een ander adres overgebracht. In 1944 was het in de woning van de familie Ras een komen en gaan van allerlei niet joodse onderduikers waaronder bemanningsleden van neergeschoten geallieerde bommenwerpers. Aan het eind van de oorlog kwam Ansje Droog bij de familie Ras in huis, een bleekneusje uit Amsterdam. De onderduikers kwamen bij de familie Ras niets te kort. Koosjer was het eten echter niet want twee keer in de week kwam er gerookte paling op tafel.

Albert en Klaasje Ras-Visser hebben in 2017 postuum de Yad Vashem medaille toegekend gekregen, een onderscheiding die door de staat Israël wordt uitgereikt aan niet-joden die tijdens de Tweede Wereldoorlog joden hebben geholpen met onderduiken, ontkomen en overleven. De uitreiking hiervan moet nog plaatsvinden. 


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Klaasje Ras, Rachel Tafelkruijer en Albert Ras

Herkomst: Mevr. P. Wakker-Ras

 

 

E

 

 

Lub en zijn vrouw Hiltje Hoekman 

Herkomst: Fam. Hoekman

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Lub Hoekman

Lubbert (Lub) Hoekman (Urk, 1913 – Australië, 2001) was de vierde zoon uit het huwelijk van Albert Hoekman (Urk, 12-10-1865 – Urk, 04-08-1940) en Grietje Hakvoort (Urk, 18-3-1877 – Urk, 5-11-1966). Uit dit huwelijk werden naast Lub geboren: Albert, Fokke, Hendrik, twee zoons genaamd Klaas, Pieter en twee dochters met de naam Jannetje. Het gezin woonde op Wijk 3-40. Het huis was een zoete inval en gastvrijheid voerde de boventoon. Veel joden, maar ook geallieerde vliegers vonden hier een onderduikadres.

Lub Hoekman bracht samen met zijn vriend Harmen Kramer geallieerde vliegers in veiligheid. Daarnaast hielp hij ook joden aan een onderduikadres op Urk. Harmen Kramer haalde in februari 1944 het joodse meisje Rachel Lewin, dat op Urk Betsie genoemd werd, op uit de Zaanstreek. Na de reis bracht hij Betsie naar Lub Hoekman. Het was lastig een onderduikplek voor haar te regelen. Lub klopte uiteindelijk aan bij de familie Ras op de Sluisput, waar Rachel Tafelkruyer onder gedoken zat. Klaasje Ras-Visser vertelde: “Lub vroeg of wij Betsie een paar weken wilden nemen, totdat er iemand was gevonden die haar wilde hebben. Ik zei tegen mijn man: “Laten wij het een niet bederven met het ander, maar als dat nu eens een kind van jou was?” Ik zei ja, “haal haar maar op vanavond”. Na verloop van tijd kon Klaasje er niet meer tegen: twee onderduikers, jonge kinderen en een druk leven. Ze zei tegen Albert dat hij naar Lub Hoekman moest gaan. Lub bracht Bettie onder bij Cees Koffeman, die op het gemeentehuis werkte en voor valse persoonsbewijzen zorgde.

In 1954 emigreerde Lub, met zijn vrouw Hiltje en hun vier kinderen naar Australië. Hij werkte eerst bij de Shell raffinaderijen en later als onderhoudsmonteur bij de Ford-fabrieken.

Broer Pieter Hoekman (Urk, 14-01-1917 – Keent, 6-11-1943) was Engelandvaarder. In de nacht van 19-20 september 1943 werd hij samen met Bram Grisnogt ten noorden van Boxmeer geparachuteerd. Tijdens een missie op 6 november 1943 om de apparatuur van twee net gedropte collega’s in veiligheid te brengen liep hij in een hinderlaag. Bij de ontstane schietpartij werd de 26-jarige Pieter dodelijk getroffen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Harmen Kramer

Harmen Kramer (overleden Urk, 30-08-1989) was tijdens de oorlog werkzaam op het distributiekantoor en bij de luchtbeschermingsdienst. Langzaamaan raakte hij betrokken bij het verzet. Kramer bracht o.a. bemanningsleden van geallieerde vliegtuigen die in de Noordoostpolder waren neergekomen, weg met de sleepboot Albert I van de fa. Hoekman of begeleidde ze op de Urkerboot naar Enkhuizen.

In februari 1944 ging hij naar de Zaanstreek om het joodse meisje Rachel Lewin op te halen. Samen met ‘zuster Nel’ (Nel Freekman-Rot) reisde hij vervolgens met de trein naar Enkhuizen. Onderweg stapten drie heren van de Duitse politie bij hen in de coupé. Harmen maakte zich breed zodat Rachel zich achter hem kon verschuilen. De volgende halte verlieten de drie Duitsers de trein weer. In Enkhuizen regelde Kramer een slaapplaats voor Rachel en hemzelf bij de familie de Vries in de Nieuwstraat. De volgende dag reisden ze met de Urkerboot naar Urk. Pas ‘s avonds haalde Harmen Betsy van de boot. Lub Hoekman nam Rachel over en bracht haar onder bij Albert en Klaasje Ras op de Sluisput. Op Urk werd de ongeveer 17-jarige Rachel Betsie genoemd. Omdat zij zich niet gedroeg naar haar leeftijd, maar veel jonger, bracht ze een groot risico met zich mee waardoor ze op verschillende adressen ondergedoken heeft gezeten. Op een gegeven moment werden er door de Duitsers huiszoekingen op Urk gedaan. Betsie moest accuut weg bij de familie Veen, waar ze toen ondergedoken zat. Harmen Kramer ontfermde zich weer over haar. Hij was ten einde raad omdat hij haar zelf geen onderdak kon bieden. In een opwelling liep hij naar Albert en Pietertje Romkes, die het joodse meisje van hem overnamen.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harmen Kramer 

Herkomst: Museum Urk

 

E

 

 

Rein Bos en Jannetje Bos-De Boer

Herkomst: Museum Urk

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Rein Bos

Rein Janz. Bos (Urk, 29-09- 1908 – Urk, 06-07- 1992) was in juni 1928 geslaagd voor zijn onderwijzersakte aan de Christelijke Kweekschool in Haarlem en werd onderwijzer op Urk. Rein Bos trouwde op 9 augustus 1934 met Jannetje de Boer (Urk, 21-12- 1909 – Urk, 16-12- 1980). Zij gingen wonen op Wijk 2 -14 en kregen zij 4 kinderen. Op een dag kwam slager Riekelt Bos bij meester Rein Bos aan de deur met een joodse jongen. Politie- en verzetsman Harmen Visser uit Vollenhove had de jongen getipt dat er op Urk wel onderdak voor hem was en dat hij zich bij meester Bos moest vervoegen. De jongen was naar Urk gereisd en kwam bij de slagerij van Bos op Wijk 2-28, naast scheepswerf Metz. De jongen dacht dat hij daar moest zijn. Slager Bos bracht de jongen bij meester Bos. Maandenlang is hij bij de familie Bos op zolder verborgen geweest.

Meester Bos sliep uit veiligheidsredenen in het huis van vroedvrouw Aaltje Post (wijk 4-50). Daar verwachtte men hem niet en de deur was altijd op slot. Als vrouw Postma weg was, mocht meester Bos de deur nooit opendoen, dat was de afspraak. Nadat meester Bos getipt werd dat hij zelf moest onderduiken, is de jongen ondergedoken in de Noordoostpolder. Waarschijnlijk is hij bij de
grote razzia in de polder op 17 november 1944 opgepakt. Na de oorlog heeft meester Bos nog gezocht naar zijn onderduiker, maar zonder resultaat.

Meester Rein Bos is tijdens de oorlog ook actief geweest bij de inzameling van voedsel voor de gijzelaars die in Brabant geïnterneerd waren. In het begin van de bezetting van Nederland ontstonden er al vrij vroeg allerlei verzetsacties met het doel de bezetter en zijn belangen te schaden. Daarom besloten de Duitsers vooraanstaande personen te interneren die met hun leven voor sabotage daden borg zouden staan. In het kamp was een nijpend tekort aan eten. Elke dinsdag ging er 10 pond gerookte paling naar de verzetsgroep in Kampen, die de zaak verder regelde. Samen met de heer Dijkstra van 'Heil des Volks’, dat zich het lot van de kinderen uit de Jordaan aantrok, haalden meester Rein Bos eind 1944 bleekneusjes uit Amsterdamse naar Urk.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Harm Hendrik Gerssen

Harm Hendrik Gerssen (Urk, 6-04- 1912 – Overveen, 23-01- 1944) ging als zovele Urkers naar de Zaan om daar te werken. Hij trouwde met Anna Korenga. Toen de oorlog uitbrak was hij fabrieksarbeider bij Stijfselfabriek De Bijenkorf in zijn woonplaats Koog aan de Zaan. Vanaf 1942 was hij als zelfstandig vishandelaar werkzaam en werd lid van de verzetsgroep Koog-Bloemwijk. Via de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), waarin enkele Zaankanters leidende posities bekleedden, was er veel contact met de verzetsbeweging op Urk. Harm Gerssen heeft 7 geallieerde vliegers, die met hun toestel in de Noordoostpolder waren neergekomen, in veiligheid gebracht. Hij begeleidde ze, bood ze tijdelijk onderdak aan in zijn woning en hielp ze de Belgische grens over.

Op 9 november 1943 nam Harm Gerssen deel aan de overval op het politiebureau en distributiekantoor van Oegstgeest, waarbij 14.000 bonkaarten, 283 blanco persoonsbewijzen, 1500 PB-zegels en ƒ 1447,- werden buitgemaakt. Een deel van de bonkaarten werd in Urk gestempeld en gedistribueerd. In januari 1944 was hij betrokken bij het in brand steken van een voor de Wehrmacht bestemd schip in aanbouw op de werf Czaar Peter in Zaandam en op 11 januari 1943 bij een overval op het postkantoor van Purmerend, waarbij distributiebescheiden en ƒ 22.000,- werden meegenomen. Harm Gerssen werd verraden door een infiltrant. Op 22 januari 1944 werd hij bij zijn woning in Koog aan de Zaan door de Sipo gearresteerd. Een dag later werd Gerssen met drie anderen van de verzetsgroep Koog-Bloemwijk, in de duinen bij Overveen gefusilleerd.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Harm Hendrik Gerssen

Herkomst: Familie Kramer

 

E

 

 

Lub en Geertje Romkes met dochter Coby op schoot 

Herkomst: Mevr. C. Kapitein-Romkes

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Lub en Geertje Romkes

Lub en Geertje Romkes-Kramer woonde met hun dochter Coby op Wijk 1-80. Het gezin woonde in bij de ouders van Geertje, Teunis Kramer (Harlingen, 16-11-1981 – Urk, 02-03-1958) en Marretje Kramer-Post (Urk, 15-11-1979 – Urk, 06-04-1961) die een winkeltje met levensmiddelen runden. In november 1944 meerde in de Urker haven een open dekschuit aan met tientallen bleekneusjes uit Amsterdam. De dorpsomroeper ging het dorp rond met de vraag wie een kindje in huis wilde nemen. Er was geen ruimte in het huis voor nog meer kinderen. Het jonge gezin woonde op de zolder, de bedsteden waren bezet, maar Lub en schoonvader Teunis vonden dat het moest. De bleekneusjes waren vanaf de boot overgebracht naar het zaaltje van Patrimonium. Lub Romkes ging erheen en zag de 3-jarige Lea Meents. Ze lachte naar hem, hij was gelijk verkocht. Lub mocht niet zelf een kind uitkiezen maar hield voet bij stuk.”Ik neem haar mee, of niemand”, zei hij. Toen hij Lea mee mocht nemen droeg hij haar naar huis, en in de warme huiskamer ontfermde opa Teunis Kramer zich over het verkleumde meisje. Hij trok haar laarzen uit, zette haar voor de kachel en verwarmde haar voeten met zijn handen. Haar Urker ‘zusje’ Coby vond het soms oneerlijk dat Lea zoveel aandacht kreeg. Totdat opa Kramer uitlegde dat Lea niets had, en zij juist alles.

Lea verbleef 8 maanden in het gezin Romkes-Kramer op Urk. In juli 1945 brachten Lub Romkes en dochter Coby de kleine Lea met de boot en de bus naar haar familie in Amsterdam. Lea’s moeder liet bij het weerzien met haar kind geen emoties zien. De ontvangst was kil. Voor Lub een heel moeilijk moment. Lea vertelde later in een interview: “Ome Lub heeft vreselijk gehuild. Ik ook natuurlijk, want ik kende mijn moeder niet zo goed. Ik vond het verschrikkelijk om weer terug te zijn in Amsterdam. Wat moet ik doen in dat vreemde huis? Ik dacht veel aan Urk. Ik dacht dat opoe, opa, tante Geertje en ome Lub mijn vader en moeder waren. Ik dacht bij het zien van mijn moeder in Amsterdam: wat is dat voor een vrouw”? Het afscheid van haar Urker familie heeft diepe sporen bij Lea achter gelaten. Haar verdere leven was moeizaam.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Lea Meents

Lea Meents (Amsterdam, 27-09-1941 – Almere, 08-03-2013) was een bleekneusje uit Amsterdam dat in november 1943 op Urk terechtkwam. Zij was een dochter van de joodse Hartog Meents (1908-1970) en de katholieke Louisa Volger (1911-1970) en woonde in de Danie Theronstraat in Amsterdam-Watergraafsmeer. Vader Meents was venter van aardappelen, groente en fruit. In 1942 werd hij opgepakt en naar het werkkamp Vledder gestuurd. Toen hij na 13 weken met verlof in Amsterdam was heeft de huisarts ervoor gezorgd dat hij niet meer terug hoefde. Waarschijnlijk was zijn gemengde huwelijk zijn redding. Tot het einde van de oorlog durfde vader Meents niet meer de straat op. De oudste zoon Gerrit zorgde zo goed en zo kwaad als hij kon voor voedsel.

Toen de Hongerwinter aanbrak bestond het gezin Meents inmiddels uit 7 kinderen, 3 waren voor de oorlog geboren en 4 tijdens de oorlog. Vanaf november 1944 werden tientallen bleekneusjes, ondervoede kinderen, met boten vanuit Amsterdam over het IJsselmeer naar het noorden van het land gebracht om de Hongerwinter te overleven. Onder hen bevonden zich de 3-jarige Lea en haar paar maanden oude zusje Jetty. Lea verbleef 8 maanden in het gezin van Lub en Geertje Romkes-Kramer op Urk. In juli 1945 werd Lea met haar familie herenigd. Lub Romkes bracht haar samen met zijn dochter Coby met de boot en de bus naar huis. De ontvangst van haar moeder was kil, geen knuffel, geen kus, geen traan. Voor Lub een moeilijk moment. Jaap Meents (1939) vertelde in een interview: “Mijn moeder was eigenlijk altijd thuis, zij was ‘gewoon mijn moeder’. Erg van het knuffelen was ze niet, dat waren we allemaal niet thuis. Uitspreken dat je van elkaar hield ofzo, dat gebeurde bij ons niet. Mijn moeder kon zich niet zo goed uiten, maar lief was ze zeker”. Het afscheid van haar Urker familie heeft Lea geen goed gedaan. Ze miste het liefdevolle gezin dagelijks. Op jonge leeftijd werd ze opgenomen in het Sinai-centrum, een Joods psychiatrische kliniek, waar ze 40 jaar woonde. Op volwassen leeftijd nam Lea het initiatief en werd het contact met de familie Romkes hersteld. Dagelijks belde ze met haar Urker zus Coby.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lea Meents 

Herkomst: Mevr. L. Meents

 

E

 

Lea Meents

Lea Meents (Amsterdam, 27-09-1941 – Almere, 08-03-2013) was een bleekneusje uit Amsterdam dat in november 1943 op Urk terechtkwam. Zij was een dochter van de joodse Hartog Meents (1908-1970) en de katholieke Louisa Volger (1911-1970) en woonde in de Danie Theronstraat in Amsterdam-Watergraafsmeer. Vader Meents was venter van aardappelen, groente en fruit. In 1942 werd hij opgepakt en naar het werkkamp Vledder gestuurd. Toen hij na 13 weken met verlof in Amsterdam was heeft de huisarts ervoor gezorgd dat hij niet meer terug hoefde. Waarschijnlijk was zijn gemengde huwelijk zijn redding. Tot het einde van de oorlog durfde vader Meents niet meer de straat op. De oudste zoon Gerrit zorgde zo goed en zo kwaad als hij kon voor voedsel.

Toen de Hongerwinter aanbrak bestond het gezin Meents inmiddels uit 7 kinderen, 3 waren voor de oorlog geboren en 4 tijdens de oorlog. Vanaf november 1944 werden tientallen bleekneusjes, ondervoede kinderen, met boten vanuit Amsterdam over het IJsselmeer naar het noorden van het land gebracht om de Hongerwinter te overleven. Onder hen bevonden zich de 3-jarige Lea en haar paar maanden oude zusje Jetty. Lea verbleef 8 maanden in het gezin van Lub en Geertje Romkes-Kramer op Urk. In juli 1945 werd Lea met haar familie herenigd. Lub Romkes bracht haar samen met zijn dochter Coby met de boot en de bus naar huis. De ontvangst van haar moeder was kil, geen knuffel, geen kus, geen traan. Voor Lub een moeilijk moment. Jaap Meents (1939) vertelde in een interview: “Mijn moeder was eigenlijk altijd thuis, zij was ‘gewoon mijn moeder’. Erg van het knuffelen was ze niet, dat waren we allemaal niet thuis. Uitspreken dat je van elkaar hield ofzo, dat gebeurde bij ons niet. Mijn moeder kon zich niet zo goed uiten, maar lief was ze zeker”. Het afscheid van haar Urker familie heeft Lea geen goed gedaan. Ze miste het liefdevolle gezin dagelijks. Op jonge leeftijd werd ze opgenomen in het Sinai-centrum, een Joods psychiatrische kliniek, waar ze 40 jaar woonde. Op volwassen leeftijd nam Lea het initiatief en werd het contact met de familie Romkes hersteld. Dagelijks belde ze met haar Urker zus Coby.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Lea Meents 

Herkomst: Mevr. L. Meents

 

E

 

 

Louwe Kramer  en Jannetje Kramer-van Urk 

Herkomst: Museum Urk 

Louis Cohen – Herkomst: Fam. Cohen

 

 

 

Louwe en Jannetje Kramer

Louwe Kramer (Urk, 18-11-1897 – Urk, 27-04-1986) was getrouwd met Jannetje Kramer-van Urk(Urk, 05-11-1898 – Urk, 27-06-1975). Louwe was organist en dirigent van het Urker visserskoor Crescendo. Zo af en toe verrichtte hij werkzaamheden voor het verzet. Toen Louwe en Jannetje in de Hongerwinter hoorden dat een schip vol bleekneusjes uit Amsterdam in de Haven van Urk was aangekomen wilden ze wel een meisje in huis te nemen, een speelkameraadje voor kleine Wip. Moeder Kramer stuurde haar dochter Grote Wip om een meisje op te halen. Het joodse jongetje Bram Janson zag Grote Wip aan komen lopen, rende naar haar toe en klemde zich aan haar vast. Waarschijnlijk leek ze op een bekende want hij noemde haar tante Lenie. Door deze actie kwam de 3-jarige Bram in het gezin van Louwe en Jannetje Kramer- Van Urk terecht.

Bram woonde na de oorlog enkele jaren met zijn moeder in Amsterdam. Daarna keerde hij terug naar Urk. Bram trouwde met Corrie Weerstand, en samen stichtten zij een gezin. Bram heeft de rest van zijn leven op Urk gewoond.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Bram Janson

Bram Janson (Amsterdam, 24-11-1942 – Urk, 27-10-2006) had een joodse moeder en een problematische vader. In het joodse geloof geldt de regel dat iemand die geboren is uit een joodse moeder Jood is. Bram was een peuter van twee jaar toen de buurvrouw merkte dat zijn moeder niet naar huis kwam. Zij wachtte een dag waarna ze de politie inschakelde. Bram werd met andere bleekneusjes uit Amsterdam met de boot naar Lemmer gebracht. Maar de boot kwam vast te zitten in het ijs en de schipper moest uitwijken naar Urk. De omroeper ging het dorp rond om te vertellen dat er met spoed pleeggezinnen gezocht werden voor bleekneusjes uit Amsterdam.

Louwe en Jannetje Kramer-van Urk wilde wel een meisje in huis nemen. Op die manier had kleine Wip een speelkameraadje. Ze stuurden hun dochter Grote Wip op pad. Bram zag Grote Wip aan komen lopen, rende naar haar toe en klemde zich aan haar vast. Hij noemde haar tante Lenie, waarschijnlijk leek zij op iemand die hij kende. Hierdoor kwam Bram bij de familie Kramer terecht. 

De aankomst van de boot vol bleekneusjes op Urk bepaalde de verdere levensloop van Bram Janson. Na de oorlog keerde Bram niet naar huis terug omdat zijn grootouders niet voor hem konden zorgen. Bram bleef op Urk, trouwde met Corrie Weerstand en heeft de rest van zijn leven op Urk gewoond.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Bram Janson op latere leeftijd 

Herkomst: Fam. Janson 

 

E

 

Louwe Kramer  en Jannetje Kramer-van Urk 

Herkomst: Museum Urk 

 

 

Louwe en Jannetje Kramer

Louwe Kramer (Urk, 18-11-1897 – Urk, 27-04-1986) was getrouwd met Jannetje Kramer-van Urk(Urk, 05-11-1898 – Urk, 27-06-1975). Louwe was organist en dirigent van het Urker visserskoor Crescendo. Zo af en toe verrichtte hij werkzaamheden voor het verzet. Toen Louwe en Jannetje in de Hongerwinter hoorden dat een schip vol bleekneusjes uit Amsterdam in de Haven van Urk was aangekomen wilden ze wel een meisje in huis te nemen, een speelkameraadje voor kleine Wip. Moeder Kramer stuurde haar dochter Grote Wip om een meisje op te halen. Het joodse jongetje Bram Janson zag Grote Wip aan komen lopen, rende naar haar toe en klemde zich aan haar vast. Waarschijnlijk leek ze op een bekende want hij noemde haar tante Lenie. Door deze actie kwam de 3-jarige Bram in het gezin van Louwe en Jannetje Kramer- Van Urk terecht.

Bram woonde na de oorlog enkele jaren met zijn moeder in Amsterdam. Daarna keerde hij terug naar Urk. Bram trouwde met Corrie Weerstand, en samen stichtten zij een gezin. Bram heeft de rest van zijn leven op Urk gewoond.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Cora Princen

Cora Princen was een ongeveer 3-jarig Amsterdams meisje dat 10 maanden op Urk ondergedoken heeft gezeten. Het is niet bekend bij welk gezin. Omdat Cora aan iedereen vertelde dat ze Joods was, werd het te gevaarlijk en moest ze van Urk weg.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Cora Princen

Herkomst: Mevr. C. Princen

 
 

 

E

 

Louwe Kramer  en Jannetje Kramer-van Urk 

Herkomst: Museum Urk 

 

 

Caroline Hopman

Het Amsterdamse meisje Caroline Hopman had een joodse moeder en een katholieke vader. Caroline werd als jodin aangemerkt omdat het joods zijn wordt overgedragen door de moeder. Om de oorlog te overleven deed de familie Hopman echter net of ze geen joodse banden hadden. Eind 1943 of begin 1944 kwam Caroline met een aantal andere bleekneusjes uit Amsterdam in de haven van Urk aan. Freek en Dirkje Brouwer-Ten Napel namen haar in huis.

In het begin ging Caroline af en toe terug naar haar ouders in Amsterdam. Omdat er geen boten meer voeren was dat aan het eind van de oorlog niet meer mogelijk. Daarom bleef Caroline op Urk. Tijdens de bevrijding brak er op Urk een zware tyfusepidemie uit. Honderden gevallen werden geconstateerd. Ook een aantal gezinsleden van de familie Brouwer kregen de ziekte. In verband met besmetting werd hals over kop besloten Caroline terug te brengen naar Amsterdam. Na de oorlog is tussen de familie Brouwer en Caroline nog regelmatig contact geweest dat na verloop van tijd verwaterde.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

E

 

Albert en Pietertje Romkes

Albert Willemsz Romkes (Urk, 31-12-1879 – Urk, 12-05-1969) trouwde op 5 mei 1922 met Pietertje Post (Urk, 16-02-1892 – Urk, 25-10-1980). Het kinderloze echtpaar woonden op Wijk 5-106 en dreven een kruidenierswinkel. Nadat Harmen Kramer Rachel Lewin, die op Urk Betsie genoemd werd, meegenomen had uit het huis van de familie Veen liep hij ten einde raad naar Albert en Pietertje Romkes. Aan de andere kant van Urk waren de Duitsers op zoek naar onderduikers. Harmen vertelde de koopman alles en zei: “Jij bent mijn laatste hoop, ik weet niet hoe ik bij jou ben gekomen. Albert help dit kind”. Albert en Pietertje gaven gehoor aan deze smeekbede en namen Betsie in huis.

Jelle Visser, een neef van de Romkes vertelde: “Goede raad was duur, want in een winkel kwamen veel mensen en daarmee lag het verraden meer voor de hand dan in een normaal gezin. Maar het woonwinkelhuis was behoorlijk groot, en na enig overleg namen Albert en Pietertje, het moedige besluit, om het kind liefderijk op te nemen. Zij voelde zich veilig bij nòne en peet maar had toch veel heimwee naar haar moeder en begreep niet wat er eigenlijk te doen was. Tegen het einde van de oorlog liep zij gewoon op straat. Zij is ook vaak bij ons thuis geweest, en niemand stoorde zich daaraan”. Betsie woonde een paar maanden bij de Romkes. Maar omdat er aan het huisvesten van het joodse meisje een groot risico kleefde moest Betsie uiteindelijk weg van Urk. Ze werd door een vrouw opgehaald en later is er nooit meer iets van Betsie vernomen. Omdat haar ouders in een concentratiekamp zouden zijn omgekomen is Rachel Lewin na de oorlog waarschijnlijk met familie naar Israël geëmigreerd.


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Albert en Pietertje Romkes voor hun winkel

Herkomst: Museum Urk

 
 

 

E

 

Klaas Luut van Veen (staand links) met collega’s van het distributiekantoor Urk

Herkomst: Dhr. J. van Veen

 

 

Klaas Luut en Trui van Veen

Het huis van Klaas Luut van Veen (Urk, 21-06-1916 – Ommen, 21-10-2001) en Trui van Veen-Ekkelenkamp (Urk, 20-10-1914 – Ommen, 06-01-2012) was een toevlucht- en doorvoerhuis voor mensen die in de oorlog bescherming zochten voor de Duitsers. Zij gaven Rachel Lewin alias Betsie onderdak nadat zij eerder bij de familie Ras en Cees Koffeman ondergedoken gezeten had. Toen ze in het huis van de familie Veen arriveerde zat ze onder de schurft. Via dokter Andriessen kregen ze de tip om Betsie met groene zeep te wassen. Dat werkte. Betsie gedroeg zich erg kinderlijk voor haar leeftijd en wilde aldoor buitenspelen wat gezien haar joodse uiterlijk niet ging. Om het meisje toch van de buitenlucht te laten genieten spande Klaas en Trui lakens over het hekwerk van het balkon. Dit was echter van korte duur, Betsie zwaaide en riep naar iedere voorbijganger. Klaas Luut en Trui waren doodsbang omdat enkele buren bevriend waren met een Duitser. Toen er aan de andere kant van Urk huiszoekingen werden gedaan moest Betsie accuut weg. Harmen Kramer ontfermde zich weer over het meisje en bracht haar naar Albert Romkes.