In navolging van de eerste brief kreeg stichting Urk in Oorlogstijd een tweede brief. Dit keer beschrijft Tromp Loosman zijn ervaringen over het bewaken van politieke delinquenten, veelal NSB’ers.

Auteur: Tromp Loosman (2011)

Scheveningen,  7 februari  2011.

Wat ik hier geschreven heb, zijn herinneringen die zo omstreeks 65 jaar opgesloten hebben gelegen in een brein dat zo langzamerhand naar de 89 jaar reikt, maar die nu onder een zekere druk naar boven zijn komen borrelen. En daardoor zal het wel duidelijk zijn dat de scherpte er wel wat is afgesleten, waardoor er aan de volgorde van de gebeurtenissen mogelijk wel iets schort. Maar daar zal denk ik niemand mij nog over lastig vallen, omdat van de toen in ons bataljon dienende Urkers en dat waren er nogal wat, naar ik meen, ik de enige ben die nog in leven is.

Tromp Loosman.

Bewaking politieke delinquenten en militaire dienst

Ik heb gemeend er goed aan te doen nog iets te schrijven over hetgeen direct na de oorlog gebeurde, maar dat overigens wel een gevolg van die oorlog was. Ik bedoel de internering van mensen die in de oorlog de kant van de Duitsers (dus de kant van de vijand) gekozen hadden. Deze mensen uit Urk en omgeving werden gearresteerd toen de oorlog voorbij was. Zij werden ondergebracht in het barakkenkamp Espelerbocht. Waar dat kamp precies was gesitueerd, weet ik niet meer. Wel aan het kanaal, want wij – die belast waren met de bewaking, voor zover ik het nog weet uitsluitend Urkers – werden er naartoe gebracht met een boot. Ook was het dicht in de buurt van wat wij toen kenden als dorp A, een plaats waarop naar ik meen later Emmeloord is verrezen. Oriëntatie was toen moeilijk omdat er alleen wat barakken stonden, omgeven door manshoog riet en verder moeras.

Om een voorbeeld te geven over de situatie onder de bij ons geïnterneerden: er was ook een zekere heer Landman aanwezig: een banketbakker uit Kampen. Hij was door de Duitsers aangesteld als burgemeester voor Urk. En met deze man werden nogal eens geintjes uitgehaald. Vooral door de mede-geïnterneerden. En dan met name door de op Urk zeer bekende Klaas Post, de Klauze, die zich nog al eens meester maakte van de hoed van Landman en zich dan, een ietwat stotterend, als  burgemeester presenteerde.

Kampcommandant Dokter

Als commandant van het kamp was ene heer Dokter aangesteld. Dit was een nogal streng heerschap vooral voor de geïnterneerden. Nu was het daar soms een wat wonderlijke situatie. Want het gebeurde –  en zelfs vrij regelmatig – dat je als bewaker met een groep van zo’n tien geïnterneerden werd weggestuurd langs paadjes door het riet naar het dorp, waar zij dan aardappelen moesten pitten of andersoortig werk doen. Als bewaker van zo’n groep kreeg je dan een Amerikaans geweer op je rug waar je, ik althans, met de beste wil van de wereld geen schot uit had kunnen krijgen.  En daaraan had  het zeer luid nageschreeuwde bevel van de heer Dokter om direct te schieten als iemand zou proberen te ontsnappen niets kunnen veranderen. Daar gold dus het spreekwoord dat een dooie kat de schrik is voor de muis. Ik, en volgens mij meerderen onder ons, had nooit wapeninstructie gehad. Overigens  vermoed ik dat niemand het in zijn hoofd zou hebben gehaald om ook maar een poging tot ontsnappen te doen. Want waar moest men heen in die rimboe? Ik wil hier nog bij vermelden dat wij, als bewakers, een blauwe overall kregen uitgereikt als een soort uniform. Daarbij moesten wij om de linkerbovenarm  een witte band dragen met daarop de letters BS die stonden voor Binnenlandse Strijdkrachten.

Dorp A als tijdelijk interneringskamp

Verder stond er in de buurt van dorp A nog een barakkenkamp waarin volgens mij academici waren ondergebracht. In ieder geval moesten mensen van ons daar om toerbeurt naar toe als bewaking. Waar dat kamp gesitueerd was, weet ik niet. Ik ben daar in ieder geval nooit geweest. Deze kampen waren overigens bestemd voor mensen die in de polder werkten, maar tijdelijk als interneringsplaatsen ter beschikking waren gesteld. Toen de geïnterneerden tenslotte onder de hoede van justitie waren gekomen, was onze taak ten einde gekomen. Wij werden dan ook overgeplaatst naar Steenwijk en ondergebracht in de Van Kornput kazerne aldaar.  En omdat Nederland nog geen eigen leger had, werden wij met vele anderen ingedeeld in het Engelse leger als het eerste bataljon van  het tiende regiment lichte infanterie.  Onze officieren waren wel Nederlanders, maar met toevoeging van Engelse. Onze bataljonscommandant was ene majoor Fleer, onze compagniescommandant was de eerste luitenant  Ganzevoort met als assistent de tweede luitenant Nobel en onze pelotons- commandant was een ingenieur, vaandrig Zielschot. Na dat wij eenmaal geïnstalleerd waren in de kazerne wachtte ons een aangename verrassing, en wel op het gebied van de voeding. Wij hebben op Urk tijdens de oorlog geen honger geleden, maar schraalhans was er wel keukenmeester en een vaak zeer strenge. In Espelerbocht was het wel wat beter, maar ook weer niet om er de loftrompet over te steken. En toen de Van Kornputkazerne. Daar kregen wij brood zo wit als er alleen in onze fantasie nog bestond. En vlees, boter en beleg – zoveel als we konden verwerken. Aanvankelijk kwam het ons voor als een sprookje, maar alles went. Ook dit. Onze voeding kwam uit de Engelse voorraden uit Assen, maar werd door Hollandse koks bereiden dus op Hollandse wijze. Voor deze wijze van bereiden kon de toegevoegde Engelse majoor echter geen begrip opbrengen. Hij was van mening dat als wij eenmaal voeding op Engelse wijze bereid hadden geproefd en dat dus volgens hem veel lekkerder was, wij beslist niets anders meer wilden.  En omdat wij, zoals beschreven, Engelse militairen waren, kon hij zijn wil doordrukken. En dus gebeurde het. Maar dat geintje heeft maar drie dagen geduurd.  Want dat Engelse eten beviel ons zo slecht met al die liflafjes, dat er een staking dreigde. Het werd dan ook ongedaan gemaakt. Nu schreef ik over een dreigende staking. Maar wij hebben ook iets meegemaakt dat veel ernstiger was, namelijk een vorm van muiterij. En dit is geen fabel.

Delinquenten in Harderwijk en Steenwijk

Het volgende gebeurde: In Harderwijk was ook een kamp met politieke delinquenten. En nu was er bij ons bericht binnen gekomen dat in dat kamp bewaking en geïnterneerden samen aan het feesten waren geslagen. En dat bericht deed bij ons de vlam in de pan slaan, wat ook wel begrijpelijk was. Want jongens die net een oorlog achter de rug hadden met alle ellende van dien, moesten nu horen dat nog wel bewakers feest vierden met geïnterneerden. Hen met hen dus die geheuld hadden met onze vijanden, de veroorzakers dus van die ellende en die  zoveel bloed vergoten hadden van goede Nederlandse vrouwen en mannen. De gemoederen liepen op tot het kookpunt. Gezag was er niet meer, de officieren waren  radeloos. Brenguncarriers  en  auto’s werden voorgereden,  munitievoorraden geplunderd en het bataljon zou, zwaar bewapend, naar Harderwijk gaan om, dit om zoals in alle duidelijkheid werd gezegd daar de boel overhoop te schieten en dus een bloedbad aan te richten. Want met minder nam men na zo’n wandaad geen genoegen. Majoor Fleer, de bataljonscommandant, was de wanhoop nabij. Het was ook buitengewoon zielig. De man zag een dreiging op zich afkomen waar hij machteloos tegenover stond en waarvoor hij mogelijk later verantwoordelijk zou worden gehouden. Gelukkig is het niet zover gekomen. De soldaten die de leiding hadden genomen lieten zich uiteindelijk toch bepraten om eerst nog contact op  te nemen met Harderwijk om te vernemen hoe de toestand daar nu was.  Dit contact mocht majoor Fleer echter niet opnemen, want een officier werd toen niet meer vertrouwd. Dat deden de soldaten zelf. En toen bleek dat er weliswaar een dergelijk feest was geweest, maar dat het in Harderwijk gelegerde garnizoen er al een eind aan had gemaakt. Deze afloop was een dankzegging waard. Gevolgen heeft deze vorm van muiterij niet gehad, althans niet voor zover ik weet.

Soldaten van het Engelse leger

Nu zult u zich vast afvragen of er na de hiervoor omschreven narigheid ook nog iets leuks te melden is uit Steenwijk. Zeker wel. Want eigenlijk had ik na het goede over de voeding door moeten gaan met het overige leuke dat we daar hebben meegemaakt. Maar het zij zo. En laat ik dan verder gaan met onze uniformering. Bij onze aankomst in Steenwijk waren wij nog gekleed in onze in Espelerbocht gekregen overall. Maar als soldaten van het Engelse leger moesten wij uiteraard in soldatenuniform gehesen worden. En dat gebeurde dan ook.  Ieder kreeg een bij hem passend uniform op een na. Voor onze Hendrik Weerstand, bij ons beter bekend als de beer van Trijn van Lijda was, gelet op zijn robuuste figuur, geen passend uniform beschikbaar. Nu was Hendrik daar niet bepaald rouwig om, want het betekende wel dat hij aan bepaalde oefeningen als enige gekleed in overall niet kon deelnemen. En dat verschafte hem een zekere mate van vrijheid  waar hij op uitstekende wijze gebruik van wist te maken. Hij bezocht dan de boeren in de omgeving waar hij tot op zekere hoogte bevriend mee raakte. En dat leidde eens tot een bijzonder grappig voorval. Want op een bepaalde dag werd er bekend gemaakt dat er een mars door Kampen zou worden gelopen ten bate van de T.B.C.-bestrijding. Deelneming aan deze mars vereiste een inleg van fl. 2,50 per persoon. En daar was ook bij ons wel belangstelling voor. Met een vrij grote groep waaronder ook Hendrik in overall, zouden wij daaraan  deelnemen. De bedoeling was dat wij op die bewuste dag direct na het ochtendappèl in de auto’s zouden stappen en wegrijden. En toen wij ons gereed maakten voor het appèl kwam  Hendrik, van wie wij wisten dat hij altijd te porren was voor een geintje, met een bij een boer gekochte geit aan een touw naar het appèl. En dat deed bij een ieder, dus ook bij de officieren, een beroep op de lachlust. Want bij ieder luid geschreeuwde commando begon het nerveus geworden dier te mekkeren en kroop weg tussen de benen van Hendrik. Maar wij, de Urkers, die overigens op de hoogte waren van de koop, kenden zijn bedoeling. De geit moest naar Urk. En zo geschiedde. Want toen wij langs de IJsselkade marcheerden waar de Urker boot de Jhr. von Geusau voor de kant lag, zat Hendrik in de salon met de geit op zijn schoot ons vriendelijk na te wuiven. Enkele dagen later meldde hij zich weer present in het bataljon waar hij uiteraard wel op rapport moest komen om zich te verantwoorden voor zijn afwezigheid zonder toestemming. Zijn excuus dat hij zijn geit naar Urk moest brengen werd vanzelfsprekend niet als geldig aanvaard. Ik weet echter dat het voor hem met een sisser afliep. Wij kregen dan ook de indruk dat ze met hem, zonder uniform, enigszins in de maag zaten. Later heeft men toch een uniform voor hem kunnen regelen. Overigens werd de krijgstucht bij ons, die net een oorlog achter de rug hadden, niet zo streng toegepast als onder normale omstandigheden.

‘Soldaten van het Engelse leger’

‘Soldaten van het Engelse leger’

Zo is er nog een voorval te vermelden waar Hendrik ook bij betrokken was. Toen wij de militaire opleiding achter de rug hadden, moest deze op de een of andere manier begraven worden. En bij dat ceremonieel leende onze Hendrik zich er voor om zich op te laten schil- deren. En omdat wij (Hendrik, ik en nog een groep Urkers) behoorden tot het specialisten-peloton, hadden wij in ons midden ook een schilder: een zekere soldaat Pit uit Giethoorn. Deze zou met verf van Hendrik een kunststuk maken. Toen dat klaar was en ieder zijn goedkeuring voor het resultaat had gegeven, gingen we in feestelijke optocht langs de kamers waarbij de stoet steeds groter en ook rumoeriger werd. Tot plotseling het signaal kwam: “appèl voor de bedden“. Nu was dat voor ons gemakkelijk uitvoerbaar, maar hoe moest Hendrik dit versieren. Maar geen nood. Hij kroop geverfd tussen de dekens. En toen zijn naam geroepen werd gaf iemand ten antwoord: ”slaapt al”. En daar nam de officier van piket genoegen mee. Zo liep ook dit weer goed af en kon Pit zijn werk doen om Hendrik zijn  normale gedaante te hergeven. Wel zult u zich afvragen of nu alle vermaak zich afspeelde rond Hendrik. Nu dat was ook eigenlijk zo, althans in ons peloton. Hij zat altijd vol grappen en grollen. Op wat er zich buiten onze groep afspeelde hadden wij overigens ook weinig of geen zicht. Behalve dan dat zich in de kamer naast ons een soldaat bevond die in het burgerleven marktkoopman in Amsterdam was. En deze demonstreerde nog wel eens zijn niet geringe koopmanskwaliteiten door, al staande op een tafel, bijvoorbeeld een geweer te verkopen. En dat was buitengewoon amusant. Maar er is ook nog iets te melden waar Hendrik slechts mede bij betrokken was. Er kwam namelijk eens een voor ons niet bepaald opwekkend bericht binnen dat er de volgende dag een Engelse brigade-generaal op bezoek zou komen. Want dat betekende dat wij vanaf vroeg in de morgen heel lang met uiteindelijk doorgezakte knieën op die knakker zouden moest wachten. En zo gebeurde het dus ook. Maar toen overkwam ons iets dat de ellende nog completer maakte. Want toen de tijd waarop de man verwacht werd al ruimschoots  overschreden was,  kwam het bericht dat het bezoek was uitgesteld tot de volgende dag. Over het enthousiasme dat dit bericht in het bataljon teweeg bracht laat ik graag het oordeel aan u zelf over. Maar u kunt van mij wel aannemen dat het bepaald niet laaiend was. In ieder geval kwam er de volgende ochtend voor ons een herhaling van zetten. En toen kwam de ziel gelukkig wel.  Want een herhaling was voor ons echt niet meer aanvaardbaar geweest.  En wat er toen gebeurde deed bij ons de vraag rijzen wat de zin van zo’n bezoek nu eigenlijk was. Want toen het bataljon aan hem gepresenteerd was liep hij, duidelijk met een kennersblik, rechtstreeks naar ons peloton, stak zijn vinger bij mij tussen mijn hoofd en helmen sprak de gevleugelde woorden: “Too big” oftewel “te groot”.  Nu was dit als feit bij mij al heel lang bekend omdat er ondanks veel passen en meten voor mij geen passende helm beschikbaar was. Vervolgens moest er een peloton voor hem marcheren. En daarbij maakte hij de slechts denkbare keuze. Hij wees namelijk ons aan, het zo genoemde specialisten-peloton dat juist in dat soort militaire oefeningen heel weinig ervaring had, omdat wij doorgaans  meer onledig werden gehouden met het verrichten van allerlei karweitjes in de kazerne. In ieder geval moest zijn opdracht doorgaan. En zoals verwacht, werd dit nu niet bepaald een succes. Dit vooral tot groot ongenoegen van onze pelotonscommandant vaandrig Zielschot die blijkbaar meende dat zijn eer er mee gemoeid was. En dat bleek ook wel. Want terwijl het gehele bataljon op ons peloton na al was ingerukt, verkoos Zielschot het om ons nog wat te laten exerceren op het kazerneplein. En dat lukte tot tweemaal toe en toen was het over. Want toen wij halt hielden stapte Appien van Oale van Jate uit het gelid en zei: “Zielschot je bekijkt het maar, ik ga naar boven”en terstond volgde hem het gehele peloton, Zielschot in zijn eentje achterlatend. En hoe gek het ook was, ook dit had geen disciplinaire gevolgen. Blijkbaar heeft Zielschot, die de situatie in ons peloton uiteraard kende, ingezien dat hij teveel van ons gevergd had na zo’n toch vermoeiende ochtend.

Grappen en grollen

Zo is er nog een voorval te vermelden waar Hendrik ook bij betrokken was. Toen wij de militaire opleiding achter de rug hadden, moest deze op de een of andere manier begraven worden. En bij dat ceremonieel leende onze Hendrik zich er voor om zich op te laten schilderen. En omdat wij (Hendrik, ik en nog een groep Urkers) behoorden tot het specialisten-peloton, hadden wij in ons midden ook een schilder: een zekere soldaat Pit uit Giethoorn. Deze zou met verf van Hendrik een kunststuk maken. Toen dat klaar was en ieder zijn goedkeuring voor het resultaat had gegeven, gingen we in feestelijke optocht langs de kamers waarbij de stoet steeds groter en ook rumoeriger werd. Tot plotseling het signaal kwam: ‘appèl voor de bedden’. Nu was dat voor ons gemakkelijk uitvoerbaar, maar hoe moest Hendrik dit versieren. Maar geen nood. Hij kroop geverfd tussen de dekens. En toen zijn naam geroepen werd gaf iemand ten antwoord: ”slaapt al”. En daar nam de officier van piket genoegen mee. Zo liep ook dit weer goed af en kon Pit zijn werk doen om Hendrik zijn  normale gedaante te hergeven. Wel zult u zich afvragen of nu alle vermaak zich afspeelde rond Hendrik. Nu dat was ook eigenlijk zo, althans in ons peloton. Hij zat altijd vol grappen en grollen. Op wat er zich buiten onze groep afspeelde hadden wij overigens ook weinig of geen zicht. Behalve dan dat zich in de kamer naast ons een soldaat bevond die in het burgerleven marktkoopman in Amsterdam was. En deze demonstreerde nog wel eens zijn niet geringe koopmanskwaliteiten door, al staande op een tafel, bijvoorbeeld een geweer te verkopen. En dat was buitengewoon amusant. Maar er is ook nog iets te melden waar Hendrik slechts mede bij betrokken was. Er kwam namelijk eens een voor ons niet bepaald opwekkend bericht binnen dat er de volgende dag een Engelse brigade-generaal op bezoek zou komen. Want dat betekende dat wij vanaf vroeg in de morgen heel lang met uiteindelijk doorgezakte knieën op die knakker zouden moeten wachten. En zo gebeurde het dus ook. Maar toen overkwam ons iets dat de ellende nog completer maakte. Want toen de tijd waarop de man verwacht werd al ruimschoots  overschreden was,  kwam het bericht dat het bezoek was uitgesteld tot de volgende dag. Over het enthousiasme dat dit bericht in het bataljon teweeg bracht laat ik graag het oordeel aan u zelf over. Maar u kunt van mij wel aannemen dat het bepaald niet laaiend was. In ieder geval kwam er de volgende ochtend voor ons een herhaling van zetten. En toen kwam de ziel gelukkig wel.  Want een herhaling was voor ons echt niet meer aanvaardbaar geweest.  En wat er toen gebeurde deed bij ons de vraag rijzen wat de zin van zo’n bezoek nu eigenlijk was. Want toen het bataljon aan hem gepresenteerd was liep hij, duidelijk met een kennersblik, rechtstreeks naar ons peloton, stak zijn vinger bij mij tussen mijn hoofd en helmen sprak de gevleugelde woorden: “Too big” oftewel “te groot”.  Nu was dit als feit bij mij al heel lang bekend omdat er ondanks veel passen en meten voor mij geen passende helm beschikbaar was. Vervolgens moest er een peloton voor hem marcheren. En daarbij maakte hij de slechts denkbare keuze. Hij wees namelijk ons aan, het zo genoemde specialisten-peloton dat juist in dat soort militaire oefeningen heel weinig ervaring had, omdat wij doorgaans  meer onledig werden gehouden met het verrichten van allerlei karweitjes in de kazerne. In ieder geval moest zijn opdracht doorgaan. En zoals verwacht, werd dit nu niet bepaald een succes. Dit vooral tot groot ongenoegen van onze pelotonscommandant vaandrig Zielschot die blijkbaar meende dat zijn eer er mee gemoeid was. En dat bleek ook wel. Want terwijl het gehele bataljon op ons peloton na al was ingerukt, verkoos Zielschot het om ons nog wat te laten exerceren op het kazerneplein. En dat lukte tot tweemaal toe en toen was het over. Want toen wij halt hielden stapte Appien van Oale van Jate uit het gelid en zei: “Zielschot je bekijkt het maar, ik ga naar boven” en terstond volgde hem het gehele peloton, Zielschot in zijn eentje achterlatend. En hoe gek het ook was, ook dit had geen disciplinaire gevolgen. Blijkbaar heeft Zielschot, die de situatie in ons peloton uiteraard kende, ingezien dat hij teveel van ons gevergd had na zo’n toch vermoeiende ochtend.

Scheveningen

Na een poosje zijn wij weer verhuisd naar de Alexanderkazerne aan de Van Alkemadelaan in Den Haag, waar wij gelegerd werden in de bij die kazerne behorende intendancegebouwen aan de Waalsdorperweg. Daarna leidde ons de weg naar Austerlitz waar wij een kamp betrokken in de bossen aldaar. En daar eindigde ook mijn militaire bestaan. Want per 1 april 1946 heb ik ontslag genomen omdat ik per 15 april 1946 was aangesteld bij de gemeentepolitie van Den Haag bij welke instelling ik ook mijn pensioen  heb bereikt.

Over ons verdere verblijf in Steenwijk valt naar ik weet althans niets bijzonders meer te melden. Ons bataljon is na Steenwijk echter wel een zwervend bestaan gaan leiden. Want wij, te weten ons specialistenpeloton, kregen opdracht als kwartiermakers naar Scheveningen te gaan om daar de Johan de Wittschool aan de Nieuwe Duinweg geschikt te maken voor legering van onze soldaten. Dit betekende dat alle banken, tafels en stoelen (en dat zijn er nog al wat in een school) naar de bovenste verdieping moesten worden gebracht en in plaats daarvan de lokalen op te vullen met ledikanten voor de soldaten. En om dat karwei te klaren, ‘leenden’ wij een groep politieke delinquenten uit Duindorp. Dit Duindorp nu was en is nog een wijk in Scheveningen waar toen de bewoners door de Duitsers uit verdreven zijn en geëvacueerd naar delen in het oosten van het land, omdat hun gebied deel uitmaakte van de Duitse verdedigingslinie. Deze wijk was nu, omrasterd met prikkeldraad, omgebouwd tot een interneringskamp voor politieke delinquenten. En daaruit putten wij toen onze arbeidskrachten. Onze leider was toen de eerste luitenant Van Wulften Palthe. Een roodharige officier die nogal bruut optrad tegen de gevangenen. Zijn eerste toespraak tot de gevangenen begon hij, staande op de trappen van de school, door met luide stem te verkondigen: ”Jullie krijgen hetzelfde eten als wij, maar werken zullen jullie en als er een van jullie probeert te ontsnappen dan schiet ik jou persoonlijk voor je d………..” waarna hij een van de gevangenen in zijn borst greep en naar voren rukte.