Door een artikel in de Haagsche Courant kwam de heer Tromp Loosman in contact met stichting Urk in Oorlogstijd. Lees zijn persoonlijke verhaal over de oorlog.

Auteur: Tromp Loosman (2010)

Scheveningen, 5 mei 2010

Aan: Stichting Urk in Oorlogstijd

5 mei. Bevrijdingsdag. Een dag waarop bij velen die, zoals wij, de bange oorlogsjaren bewust hebben meegemaakt (mijn vrouw en ik naderen wat leeftijd betreft de 88 jaar) nogal eens gebeurtenissen uit die tijd naar boven komen. Hiervan wordt dan wel eens op verzoek het een en ander verhaald. Het zijn verhalen die, zoals mijn vrouw terecht beweert, bij het uitsterven van onze generatie voorgoed verloren zullen gaan. Om dat te voorkomen heeft zij er bij mij op aangedrongen iets op papier te zetten. Bijvoorbeeld over mijn ervaringen met de razzia’s die door Duitse soldaten werden uitgevoerd om mannen en jongens te arresteren en op transport naar Duitsland te zetten, waar ze moesten werken in de oorlogsindustrie. Voor deze aandrang van mijn vrouw ben ik gezwicht. Ik meen er echter goed aan te doen mij eerst bekend te maken.

Ik ben Tromp Loosman, oudste zoon van Pieter Loosman (Pieter van Trien de Schokker), bij de ouderen waarschijnlijk nog wel bekend onder de naam Pieter van ’t Jeugd en van Berendina Korf (ook wel Dient van Marrie van Tromp). Mijn vrouw, met wie ik al bijna 64 jaar ben getrouwd is Maria Lammertina Hoftijzer, dochter van een Hellevoetsluizer vader en een Urker moeder, te weten Eltje Post. Door het vroege overlijden van haar vader heeft mijn vrouw het grootste deel van haar jeugd op Urk doorgebracht. Eerst bij haar grootouders Jacob Post, bijgenaamd Jaauwk van Pernis, en diens vrouw en na hun overlijden bij haar ooms Riekelt en Meindert Post en de bij hen inwonende vriend Cornelis Brands. Haar oom Riekelt is bij de ouderen nog wel bekend als Riekelt van Pernis met zijn striept boatjen.

Mijn belevenissen

De razzia’s die op Urk werden uitgevoerd waren bij ons, op één na, ruim van tevoren bekend. Hoe dat kon zal wel een geheim blijven. Militairen moesten, omdat er toen nog geen landverbindingen waren, ons bereiken per schip. Dat gaf ons de gelegenheid, achter de vuurtoren staande, rustig hun komst af te wachten en daarna tijdig onze onderduikplaats op te zoeken. Maar één keer ging het mis. Op een mooie zondagmorgen (een datum weet ik niet meer) werd vrij vroeg in de ochtend door een buurman bij ons op het raam getikt. Mijn vader kreeg te horen dat Urk vol soldaten liep en dat hij moest zorgen dat zijn jongens in hun schuilplaats kwamen. Later werd hem nog bericht dat er 750 man bij betrokken was van de groene politie (militaire politie dus) en leden van de SS. Voor de juistheid van dit getal kan ik niet instaan. Nu wilde het geval dat mijn onderduikadres was in het huis van mijn ome Jelle en mijn tante Harp in de zogenoemde onderbuurt. Maar om dat te bereiken moest ik een vrij grote afstand overbruggen. Om nu een juist begrip te krijgen van de situatie moet ik vermelden dat wij woonden in Wijk 4-91, een woning die nog steeds in ons bezit is. Ik had echter geen keus, want thuis was geen enkele gelegenheid om te schuilen. Ik rende dus op de klompen zo snel als ik kon naar het huis van mijn oom en tante. Maar daar aangekomen kwamen er van twee kanten soldaten op mij af. Dus rende ik zo snel mogelijk terug, eigenlijk niet wetende waar naartoe. In een van de zijstraten, waar op dat ogenblik geen soldaten te zien waren, sprong ik op goed geluk over een hekje en voelde gebukt aan een buitendeur. Die was gelukkig open zoals dat toen nog kon. Ik was terecht gekomen in het huis van Age Ras, anders gezegd Age van Hiltjen. En omdat het nog vrij vroeg in de ochtend was, lag deze nog rustig met zijn vrouw in de bedstee. Toen ik hem wakker gemaakt had, was hij nogal verward. Hij gaf mij spontaan toestemming die gans maar te pakken, in zijn nog half slapende geest menende dat ik op ganzenjacht was. Maar toen hij goed wakker was en besefte waar het om ging, was hij direct een en al actie. Hij sloot de deur en ging, na zich gekleed te hebben, op verkenning uit. Niet veel later kwam hij terug met de mededeling dat ieder huis doorzocht zou worden, wat ook gebeurd is. Met deze wetenschap gewapend was het dus voor mij zaak in het huis van mijn gastheer te zoeken naar een geschikte schuilplaats. Maar dat zoeken leverde beneden althans niets geschiktst op. Dus dan maar naar boven om op de zolder te kijken. Maar ook daar was geen plaats waar ik mij goed kon verbergen. De zolder, waarop alleen een slaapkamer was, was verder helemaal leeg. Ook het zoldertje van de slaapkamer was leeg. Wel had de slaapkamer rechte wanden onder een schuin dak. Dat betekende dat er tussen kamerwand en dakbeschot aan weerszijden een ruimte was maar die waren volkomen open. Maar om toch enige bescherming te vinden moest ik van één van deze ruimten gebruik maken, beseffende dat het eigenlijk zinloos was. Ik had echter geen andere keus. Toen er dan ook aan de buitendeur gerammeld werd, besloot ik maar weg te kruipen in die ruimte waar het zolderluik naar toe opensloeg. Ik zat er dan ook net of mijn gastheer kwam naar boven met een soldaat. Op de zolder was duidelijk niets voor hem te zoeken, dus klom hij, zoals Age mij later vertelde, en ik ook wel meende te horen, op een stoel om op het zoldertje van de slaapkamer te kijken. Toen hij ook daar niets vond, scheen hij met zijn zaklantaarn in de open ruimte naast de slaapkamer, de ruimte waar ik niet zat. En toen gebeurde er iets dat mij de schrik om het hart deed slaan. Om te voorkomen dat hij ook naar mijn schuilplaats zou gaan, wees Age, heel brutaal en naar hij later zei om de soldaat van zijn stuk te brengen, naar de ruimte waar ik zat. Maar gelukkig voor mij ging hij daar niet op in. Hij had er blijkbaar genoeg van. Zo ben ik dan, met grote dank aan mijn hemelse Vader en ook veel dank aan mijn gastheer en zijn vrouw, die mij liefdevol behulpzaam zijn geweest, bij die razzia de dans ontsprongen.

Bij ons thuis liep het evenwel iets anders. Ons huis werd namelijk niet doorzocht. Dat kwam zo. Voor ons huis stond een soldaat als een soort vaste post. En met deze soldaat maakte mijn vader een praatje, zo goed en zo kwaad als het ging tenminste. Nu was het meer een verwijt dan een praatje, want mijn vader trachtte hem namelijk op een of andere manier duidelijk te maken dat hij het heel erg vond dat voor zaken zoals deze razzia de zondag, de Dag des Heren, misbruikt werd. En de soldaat scheen het te begrijpen, want hij gaf aan dat hij het ook niet goed vond. Voorts vertelde hij dat hij een Oostenrijker was en ook dat hij al twee broers aan het oostfront verloren had. En dit gesprek nu had ook nog een ander effect. Want toen de soldaten kwamen om ons huis te doorzoeken wees hij ze door naar andere adressen. Daarna keerde hij zich om en knikte vriendelijk naar mijn vader. Mijn broer Hendrik was thuis gebleven omdat hij meende gevrijwaard te zijn van deportatie omdat hij een Ausweis had. Hij was namelijk als palingroker werkzaam bij vishandelaar Douwe Gnodde, dus was hij nuttig voor de voedselvoorziening. Voor deze beroepen kreeg je een dergelijke verklaring die ik overigens toen niet bezat.

De oogst bij deze beschreven razzia was niet al te groot. Ze hebben één Urker kunnen pakken. Iemand met de bijnaam ‘de loering’ (leeuwerik). Dit overigens nare feit bracht Klaas Koffeman (Kloas de Skilder) ertoe om in zijn wekelijks verschijnende krant De Oprechte Urker bij zijn berichtgeving over het Duitse bezoek nogal verwijtend te melden dat ze ook nog onze enige leeuwerik hadden meegenomen.

Schuilplaats onder de Kesse

Nu had de hiervoor beschreven gebeurtenis ons wel duidelijk gemaakt dat wij in eigen huis moesten zoeken naar een geschikte schuilplaats. Daarbij kwam ons de kennis van vader en moeder te hulp. Zij wisten namelijk dat, toen zij in 1929 ons huis in Wijk 4-91 door Riekelt de timmerman lieten bouwen voor 1500 gulden, er van het huis dat daar tevoren had gestaan, de regenwaterbak in de grond was blijven zitten. Zij wisten ook nog precies waar deze zat, namelijk onder de straat of anders gezegd onger et ogien met de mond net binnen de muur van ons huis en nog wel in het midden van de muur onder de linnenkast, de kesse. Wij hebben toen de kesse verschoven en de boel opengemaakt. Daar troffen wij een bak aan vol puin. Wij hebben er in ieder geval 39 teilen vol van dat spul uitgehaald en daarna bleef er een met geglazuurde tegeltjes bepleisterde ruimte over waarin ik mij, gezeten op een bankje, wel aardig veilig kon voelen terwijl de burgers en ook de soldaten over mij heen liepen. Daarna hebben wij de vloer uiteraard weer dichtgemaakt, maar wel een behoorlijke ruimte open gelaten om mij in geval van nood van voedsel te kunnen voorzien. Mijn vader bond dan twee borden op elkaar en schoof mij zo mijn eten toe, onder de kesse door. Door de kesse was de opening niet zichtbaar. Om deze schuilplaats te bereiken hadden wij in de hoek van de kamer waar mijn vader zat in de vloer een luikje gemaakt dat afgedekt was met vloerzeil. Door dat luikje kwam ik onder de vloer en kon dan kruipend tussen vloer en aarde mijn schuilplaats bereiken. Wat een mens al niet heeft moeten doen om zich te beveiligen en dat op ons eigen Urk.

Bij de herbestrating van de wegen heeft men de bak gevonden en kapot geslagen.

Tewerkgesteld aan de IJssellinie

Toen het de Duitsers duidelijk werd dat er met razzia’s op Urk niets viel te bereiken, pasten ze een andere methode toe. Hiermee hadden ze meer succes. Op zekere dag kwam er een groep soldaten op Urk. De officieren die de leiding hadden, hadden hun intrek genomen bij Klaas de Boer, oliehandelaar. Van daaruit lieten zij bekendmaken dat alle mannen en jongens van 18 tot 45 jaar zich moesten melden in de school bij de vuurtoren. Tevens werd bekendgemaakt dat van degene die niet vrijwillig verscheen het huis in brand zou worden gestoken. En dat was een uitgekookte zet. Want toen kwam de buurt in actie. Er werd toen behoorlijk druk uitgeoefend. Want als jij niet gaat en jullie huis wordt in brand gestoken dan brandt, gelet op de dichte bebouwing, de hele buurt af. Nu was ik, hoewel de Duitsers er blijk van hadden gegeven tot alles in staat te zijn, jeugdig als ik was, niet zo erg onder de indruk van het dreigement. En omdat er altijd nog sprake was van vrijwillig melden, meende ik er goed aan te doen eens poolshoogte te gaan nemen. Maar dat liep anders dan ik had gedacht. Want ik had de deur nog niet achter mij dichtgedaan of er liep al een militair achter me met een pistool in mijn rug. Deze bracht mij naar het grasveld voor de school waar hij mij presenteerde aan een officier die mij, zoals onder die lui gebruikelijk was, ontving met luid gillen en schreeuwen waar ik overigens geen woord van verstond. Mijn Ausweis (dat ik toen wel had) werd voor mijn ogen verscheurd. Ik kreeg in ieder geval de indruk dat ik werd beschouwd als een levensgevaarlijk mens, want ik werd na veel onderling geklets onder de hoede van vier met geweren bewapende soldaten naar het gymnastieklokaal gebracht. Na lange tijd daar te hebben vertoefd, werd ik eindelijk naar boven gedirigeerd waar ik mij mocht voegen bij mijn andere lotgenoten. Het thuisfront had intussen niet stilgezeten. Mijn ome Jacob Korf, schipper/ eigenaar van de UK 163, was met een opgestoken kam naar het huis van Klaas de Boer gegaan en was daar nogal tekeer gegaan tegen de Duitse commandant. Hij verweet de Duitser dat hij hem brodeloos maakte door hem van zijn knecht aan boord te beroven. Hij was, zoals hij stelde, palingvisser, dus werkzaam in de voedselvoorziening en daarbij was ik aan boord onmisbaar. En dat had resultaat, want hij kwam met een vrijgeleide in zijn hand de school binnen en rukte mij, woedend over zoveel inbreuk op onze vrijheid, mee naar buiten. Zo liep het ook deze keer, voor mij althans, goed af.

Ontkomen dankzij de voedselvoorziening

En nu mijn laatste ervaring.

Wij hadden op Urk inmiddels een NSB-burgemeester gekregen, een zekere Landman, bakker uit Kampen. Deze liet op zekere dag op last van het Duitse opperbevel bekendmaken dat wij ons op het raadhuis moesten melden, maar wel weer met het dreigement van het in brand steken van huizen. Daar werden wij geregistreerd en hoorden we dat we te werk zouden worden gesteld aan de IJssellinie. Dit was wel onder voorwaarde dat wij elke zaterdag en zondag thuis zouden zijn. En dat is ook gebeurd. De weg naar Duitsland was toen overigens al afgesloten. Wij werden in Zwolle ondergebracht in een school aan de Veerallee. Aan de zogenaamde linie werden we beziggehouden met het op boerenerven waken van mitrailleurstellingen, onder de hoede van een bejaarde soldaat die de hele oorlog duidelijk meer dan zat was. Verder waren en onder ons een paar van die echte dorpstypen die ’s avonds de boel aardig wisten te vermaken. Merkwaardig was dat alleen de Urkers door een fout tweemaal per dag een half brood kregen. Dat stelde ons in de gelegenheid het brood dat wij over hadden te geven aan de voedselhalers uit het westen. Zij reisden broodmager en soms met open voeten, met oude kinderwagen en fietsen zonder banden, de noordelijke provincies af om eten voor hun hongerlijdende families in het westen. Het gebeurde dan nogal eens en ik heb dit zelf eens gezien, dat als ze met wat etenswaren de Katerveerbrug passeerden, het beetje eten dat ze verzameld hadden door Landwachters (Nederlanders die zich in Duitse dienst hadden gemeld) werd afgepakt en ergens op de brug op een hoop werd gegooid. Triest, onmenselijk en om misselijk van te worden.

Toch heb ik ook nog iets bijzonders meegemaakt. Met mijn bagage op mijn rug was ik ’s vrijdags of ’s zaterdags op de klompen met anderen op weg naar Kampen voor de reis naar Urk. Op een bepaald moment zag ik drie meisjes een boerenerf oplopen, een beeld dat je overigens veelvuldig zag. Maar in dit geval dacht ik één van de meisjes te herkennen. Ik heb dan ook gewacht tot ze het erf afkwamen en toen bleek het Sophie te zijn, de zuster van mijn vrouw. Zij kwam uit Schiedam en was op voedseltocht voor haar familie. Het was een leuke ontmoeting, maar onder ellendige omstandigheden. Zij wilde graag mee naar haar zuster op Urk en ik had haar graag meegenomen, maar het kon niet. De regio was afgezet en niemand kwam er door zonder pasje, dat wij wel in ons bezit hadden. Deze situatie heeft zo ongeveer twee of drie weken geduurd. Toen was het einde daar.

Dit is een weergave van mijn belevenissen tijdens de razzia’s.

Tromp Loosman