Wat doe je als muziekvereniging wanneer je land door de vijand wordt bezet en deze vijand je verbiedt voor koningin en vaderland te spelen? De Urker brassband Valerius kreeg tijdens de oorlog met deze keuze te maken. Lub van den Berg, secretaris van Valerius, dook in de archieven van zijn vereniging en zocht uit hoe Valerius de oorlog doorkwam.

1939. Mobilisatie. De feestelijkheden rond de verjaardagen van de Koninklijke Familie werden afgelast. De Chr. muziekvereniging Valerius hoopte dat dit in 1940 anders zou worden. Het werd inderdaad anders, maar niet zoals zij ooit had durven denken.

Auteur: Lub van den Berg (2011)


De muziektent van Valerius  op de haven

Doordat feestdagen als Koninginnedag en verjaardagen van leden van het Koninklijk huis in de oorlog niet meer gevierd mochten worden van de Duitse bezetter, bleven er niet veel gelegenheden meer over waarbij gespeeld kon worden. Wel liep Valerius mee in de stoet bij de begrafenis van een geallieerde vliegenier.

Op tweede Pinksterdag 1941 gaf Valerius samen met de Zangvereniging Excelsior een concert in het kerkplantsoen van de Bethelkerk. Het concert werd geopend en gesloten met het zingen en spelen van een psalm. Het is opvallend dat Valerius tijdens dit concert allemaal nummers speelde met een Duitse titel zoals Lobpreising Gottes, Harre meine Seele, Abenddammering, Freit Euch des Heeren en Hin nach Zion. In augustus 1941 gaf de vereniging een concert op het pleintje in het Tuindorp. Dit werd, tot het einde van de oorlog, het laatste optreden in de open lucht.

De Oranjevereniging, waar Valerius nauw mee samenwerkte, werd op last van de overheid ontbonden. De eigendommen van deze vereniging, waaronder de door Valerius vaak gebruikte tribune, werden inbeslaggenomen. Een lang gekoesterde wens van Valerius ging echter in 1941 in vervulling. In een muzikantenblad werd door een muziekvereniging in Zwaag (NH) een muziektent aangeboden. De vereniging in Zwaag had daar geen ruimte meer voor. Valerius kocht de tent en verscheepte die in het najaar naar Urk waar hij zo lang bij secretaris Hendrik Hagedoorn in de timmerschuur werd opgeslagen. Het was de bedoeling om de muziektent in het voorjaar van 1942 te plaatsen.

Op maandagavond 22 december 1941 organiseerde Valerius, sinds 1939 onder leiding van dirigent Louwe Kramer, de jaarlijkse Kerstwijding in gebouw Patrimonium. Valerius begeleidde de samenzang en sprekers waren ds. Van Wieringen en ds. Zijlstra. Ook was daar het eerste optreden van het ‘ Corps Kwartet’ , een dameskoor welke was opgericht door de dirigent.

‘Rust roest’

Spannende dagen waren het tijdens de Duitse inval in mei 1940. Een aantal muzikanten van Valerius vervulden namelijk hun dienstplicht. Gelukkig keerden ze allen heelhuids terug. De repetities werden voor enkele weken onderbroken, maar uiteindelijk werd weer begonnen. Het bestuur was namelijk van mening dat voor de instrumenten ‘rust roest’ is. Koninginnedag, 31 augustus 1940, verliep als een rouwdag. Het corps stond paraat, maar er werd niet gespeeld.

De timmerschuur van Hagedoorn achter wijk 5-37a


Kokosvet op de lippen

Toen de laatste Duitsers op 16 april 1945 Urk hadden verlaten werden op 20 april de leden door dirigent Louwe Kramer bij elkaar geroepen en werden de instrumenten weer tevoorschijn gehaald. Besloten werd om twee keer per week te gaan repeteren, één keer in de Bewaarschool en één keer in gebouw Samuël. Voor het eerst kwam Valerius in actie op 30 april 1945, de verjaardag van prinses Juliana. Ook speelde Valerius op 14 mei bij de terugkeer van burgemeester Keijzer uit gevangenschap. Op 1 en 5 juni werd een rondgang gemaakt met een afdeling Engelse soldaten.

Een muzikale ovatie werd gebracht aan teruggekeerde leden van Valerius die tijdens een razzia in november 1944 waren opgepakt en weggevoerd naar Duitsland waar zij te werk waren gesteld. Op zondag 10 juni werd gespeeld bij de begrafenis van een Amerikaanse piloot. Op 19 juni werd door de leden de muziektent geplaatst voor Hotel Woudenberg.

Koninginnedag 1945 fanfare op de toren, dir. L.Kramer

Op 28 en 29 juni 1945 werden de officiële bevrijdingsfeesten gehouden. Het begon ’s morgens om zeven uur al met klaroengeschal van herauten te paard en dat ging zo de hele dag door. Koraalmuziek op diverse plaatsen in het dorp, zanghulde op het kerkplein, optocht, concert in de muziektent. In het programma stond ook het nummer Heen naar Sion, dit keer in het Nederlands…

Er waren nog geen uniformen, waardoor men besloot in witte bakkers-, slagers- en kappersjassen aan te treden. Ook Frits Bode, de latere dirigent, was daarbij in zijn eigen bakkersjas aanwezig. Men smeerde de lippen met kokosvet want die hadden danig te lijden onder het blaasgeweld. De kelen smeerde men met iets anders. In het programmaboekje stond:

De muziek komt uit de doppen
Na zo’n lange duikerij,
En we dansen op hun pijpen,
Allen zijn we vrij en blij.
Kramer heeft een hele tors!
Jongens! Blaast er flink op los!
En… luisteraars, blijft rustig staan!
Dan zal het eerst voortref’lijk gaan.

De eerste dag werd afgesloten met een optocht naar het Top waar een vreugdevuur op de Pyramide werd ontstoken. Ook hier hoorde in het programmaboekje een rijmpje van T. de Vries bij:

Bevrijdingsfeest 1945
Van links naar rechts: Johannes Gerssen, Hendrik Schraal, Jan ten Napel – Grote trom Klaas Ras

Instrumenten op zolder

Op 8 mei 1942 was de laatste repetitie en werd besloten alle activiteiten te stoppen omdat het bestuur van Valerius weigerde lid te worden van de Duitse Kultuurkamer. Deze was door de bezetters ingesteld omdat iedere muziekvereniging ten dienste moest staan van de nationaalsocialistische ideologie. Elk orkest moest beschikken over een door de Duitsers goedgekeurd repertoire om in het openbaar op te mogen treden en moest een zogenaamde ‘stijlvergunning’ hebben. Hiermee werd het bijvoorbeeld onmogelijk Amerikaanse muziek uit te voeren. Geen lid worden van de Kultuurkamer en toch blijven blazen kon een geldboete opleveren van enkele duizenden guldens. Om het bestuur niet in moeilijkheden te brengen werd afgesproken dat 18 leden hun lidmaatschap zouden opzeggen zodat men genoodzaakt was te stoppen. De muziekinstrumenten werden verstopt op de zolder van de timmerschuur van Hagedoorn. In eerste instantie om te voorkomen dat ze door de Duitsers in beslag zouden worden genomen om zo de vereniging te dwingen lid van de Kultuurkamer te worden. Later in de oorlog werd zelfs bevolen dat alle muziekinstrumenten moesten worden ingeleverd omdat de Duitsers het koper nodig hadden voor oorlogsdoeleinden. De instrumenten van Valerius waren echter goed verstopt en ontsprongen de dans.

Het bestuur van Valerius probeerde ondertussen van alles om toch maar muziek te kunnen blijven maken. Zo probeerden ze zich als vereniging aan te sluiten bij de Hervormde Jeugdraad. Als ze daar onderdeel van uitmaakten konden ze wellicht uitvoeringen blijven geven. Doordat ze echter een contract met Buma hadden, het auteursrechten bureau, waren ze daardoor automatisch aan de Kultuurkamer verbonden. Er zat dus niets anders op dan het einde van de bezetting af te wachten. Het bestuur bleef wel regelmatig bij elkaar komen en voor de donateurs werd in december 1942 weer een Kerstwijding georganiseerd. Zonder muzikanten, maar mét zang door de dames van het ‘Corps kwartet’.


Als de vreugdevlammen doven,
Wordt de thuismars een succes:
Alle paartjes moeten mede,
Niemand mag er “in het gres”!
Op de maat der saxofoon
Vegen we ’t hele Top weer schoon!

Naast de muzikanten lopen
Is verboden op dit feest;
Anders kunnen zij niet spelen!
Neem ’t ter harte, gij die dit leest.
Heel de vreugdevolle schaar
Blijft er achter op op ’t trottoir.

Ook de tweede dag waren er muzikale rondgangen en optocht met aan het eind van de dag een vuurwerk op de Oosthaven.

Valerius speelt in plantsoen van de Bethelkerk dirigent L. Kramer