‘Wat zou ik in de oorlog hebben gedaan?’ Dit is een vraag die ik mijzelf dikwijls stel. Met de leeftijd die Andries Pasterkamp had op het moment dat hij stierf scheel ik nu drie jaar. Andries was 21 jaar oud in 1945, ik ben nu 24. En dan bedenk ik mij dat ik hier, nu in 2011 in vrijheid kan leven. De wereld waar Andries 66 jaar geleden in leefde als jonge jongen is totaal anders dan de wereld van nu. Juist omdat ik bijna net zo oud ben als hij toendertijd, interesseer ik mij voor zijn persoon: wie was die 21-jarige Urker die zo tragisch om het leven kwam? Herdenken doe ik niet alleen op 4 mei, herdenken is niet alleen maar ‘even ergens bij stilstaan’. Dit realiseer ik mij des te meer bij het zoeken naar antwoorden op vragen als ‘Wie was Andries?’ en ‘Hoe heeft zijn leven zo tragisch kunnen eindigen?’

Robert Hofman
Urk, september 2011

Wie waren Andries Pasterkamp en Pieter Hakvoort?

Andries Pasterkamp met J. Hoefnagel (Stichting Urk in Oorlogstijd)

Andries Pasterkamp met J. Hoefnagel
(Stichting Urk in Oorlogstijd)

 

Een 16-jarige jongen met blonde haren en een golvende kuif, op Urk beter bekend als ‘De Witte’, oftewel Andries Pasterkamp. Andries is geboren in 1924 en was tot de inpoldering een visserman, net als zijn vader. Na de inpoldering ging hij aan het werk als grondwerker. Niet lang na de Duitse inval moesten in Nederland, en daarmee ook op Urk, de radio’s ingeleverd worden. Tegen de regels in behield gezin Pasterkamp deze radio, het eerste teken van verzet. Andries had verkering met Lummetje Hakvoort, waardoor hij vaak bij de familie Hakvoort kwam. Zij woonden toen net als iedereen in het ‘oude dorp’, het oude gedeelte van Urk in Wijk 1–20.

Verraad

Op Urk werd in het begin van de oorlog nog aan ‘klein verzet’ gedaan, maar naarmate de oorlog vorderde groeide dit verzet en deed een deel van de bevolking actief mee aan de pilotenhulp. Als een jongen van 16 jaar zag Andries ook een avontuurlijke kant aan de oorlog, hij was een gehaaide jongen. Welke jongen haalt nu geen ‘kattekwaad’ uit? Een witte streep op lantaarnpalen veranderde in een Nederlandse vlag, papieren v-tjes (Victorieteken) sierden sommige straten. Het was klein, onbeduidend verzet wat gepleegd werd door opgeschoten jongelui.

1944. De oorlog duurde nu al vier jaar, vier lange jaren waarin het optreden van de Duitsers in het algemeen harder werd. Dit was ook te merken op Urk. Even voor de Pinkstermaandag werd er op een straat, niet ver van Andries’ huis, een leus geschilderd: ‘Oranje boven’ en ‘Leve de koningin’. Er werden wel vaker van die leuzen geschreven, maar namen stonden er nooit bij. Andries had deze leus niet geschreven of er aan meegeholpen.

Een geschreven leus op de hoek van de straat, V=Victorie... (herkomst onbekend; kopie Stichting Urk in Oorlogstijd)

Een geschreven leus op de hoek van de straat, V=Victorie… (herkomst onbekend; kopie Stichting Urk in Oorlogstijd)

Wie er wraak wilde is niet bekend. Waren het de op Urk gestationeerde Duitsers of was het een enkele NSB’er? Een Urker NSB’er noemde de namen van Andries en ‘De Flux’ (Andries Pieter Hakvoort), zij zouden het wel gedaan hebben. De Duitsers gingen eerst naar ‘De Flux’, die was echter al gevlogen. Andries was het volgende slachtoffer. Maar Andries, die echter niet bang was, had nooit verwacht dat ze hem op zouden pakken. Helaas was dit wel het geval. Net als zijn aanstaande schoonvader, Pieter Hakvoort, werd Andries opgepakt. De volgende avond, woensdagavond, werd Willem Hakvoort, die ook was gearresteerd, vrij gelaten. Nog diezelfde avond vroeg de politie aan Lummetje om even op het raadhuis (gemeentehuis) te komen. Marie Pasterkamp, die bij Lummetje thuis was, ging met haar mee. Toen ze in het raadhuis aangekomen waren stonden er drie Duitsers klaar, waarvan er één tegen Lummetje en Marie zei: “Sper maar in.” Ook zij werden in een cel gestopt.

Voordat ze op verder transport gezet werden, kregen Andries en Pieter nog een scheerbeurt. Dit werd gedaan door Jelle Pasterkamp, een ‘mede-verzetsstrijder’, althans voor Pieter Hakvoort. Voordat Jelle begon keek hij eerst rond om te kijken waar opperwachtmeester Kok, beter bekend als ‘politie Kok’, was. Nadat Jelle geconcludeerd had dat hij niet in de buurt was, vroeg hij aan Pieter of hij niet de benen wilde nemen. Hierop antwoordde Pieter: “Wat zullen zij een oude man doen?” En zo gaf Jelle hen een laatste scheerbeurt. De volgende dag, op donderdag, werden Pieter Hakvoort, Andries Pasterkamp, Marie Pasterkamp en Lummertje Hakvoort uit hun cel gehaald voor transport. Politieagent Faber zei tegen Pieter dat hij stokken in zijn broek zou krijgen om vluchten te voorkomen, dit werd uiteindelijk niet gedaan omdat opperwachtmeester Kok dat niet wilde hebben. Wel kreeg Pieter Hakvoort handboeien om en werd zo door agent Faber meegenomen samen met de anderen.

De reis ging naar Arnhem, het huis van bewaring, ofwel naar de Sicherheitsdienst (SD). Maar liefst zeven dagen verbleven zij hier, waarbij zowel Andries als Pieter verhoord werden. Na de verhoringen ontving eerst Pieter Hakvoort alles terug: zijn identiteitsbewijs, bonkaarten, zijn stamkaart en andere spullen. Hierna volgden Lummetje en Marie, ook zij kregen alles terug. Medegevangenen vertelden dat dit een goed teken was. De behandeling van de SD was prima. Terwijl ze nog bij de SD zaten werd er plotseling getelefoneerd en werden er twee brieven binnengebracht. Deze brieven werden aan één van de aanwezige Duitsers gegeven. Het is niet bekend waar deze brieven vandaan kwamen, wel wat erin stond. Het scheen dat Andries betrokken zou zijn bij het verzet op Urk, en dat Pieter Joden en piloten hielp onderduiken. De spullen van Andries en Pieter werden weer ingenomen Lummetje en Marie werden vrijgelaten, Pieter en Andries werden op transport gezet.

Kamp Amersfoort

Op 7 juni ging de reis naar Kamp Amersfoort. In Amersfoort werden ze in zogenoemde werkcommando’s geplaatst, gedwongen arbeid. Andries en Pieter werden beiden tewerkgesteld in een keuken. In Kamp Amersfoort had de SS de leiding en waren er zogenoemde Kapo’s. Deze zogenoemde Kapo’s waren ook gevangenen die de taak hadden om orde te houden, vaak traden zij wreed op, al dan niet wreder dan de SS zelf.

Neuengamme

Transport en aankomst

Op 11 oktober werden Andries en Pieter allebei op transport gezet, samen met 1440 andere gevangenen. Onder de gevangenen bevonden zich 16 Duitsers en 589 mannen uit Putten die opgepakt waren als represaille voor de aanslag op een Duitse auto waarin militairen zaten. De eindbestemming was Neuengamme en het transport was verre van comfortabel. Als ‘haringen in een ton’ zaten Andries en Pieter in een goederenwagon. Een reis die twee tot drie dagen in beslag nam, onder zware bewaking. Het transport vanuit Amersfoort kwam op 13 of 14 oktober aan. Het concentratiekamp Neuengamme bestond, naast het kamp in Neuengamme zelf, uit vele buitenkampen, verspreid over heel Noord-Duitsland. De kampen worden door overlevenden omschreven als een zeer ongezond oord: het is er erg guur, vochtig en vaak mistig. “Weiter! Weiter!” Na vele uren achtereen in angstige spanning opeengepakt te hebben gestaan werden Andries en Pieter, samen met vele anderen, door stokslagen eindelijk de wagons uitgejaagd. Blaffende honden beten in hun kuiten en ondertussen stonden Duitse soldaten klaar om met hun geweerkolfen een paar ruggen te bewerken. Na een scherpe controle of iedereen was meegekomen, liepen de gevangenen vanaf het station naar het kamp. De Duitsers sloegen de gevangenen rechtsaf de Lagerstrasse in. “Mützen ab!” Degenen die een pet of hoed droegen moesten deze afzetten. Toen dat gebeurd was marcheerden, of beter gezegd, sjokten alle gevangen door de brede poort van het kamp.

In het kamp

Andries en Pieter kwamen als eerste terecht in het Hauftlager (Hoofdkamp) van Neuengamme zelf, later werden zij overgeplaatst naar één van de buitenkampen, namelijk kamp Meppen-Verssen. Ook vele mannen uit Putten, die tegelijkertijd met hem en Pieter op transport gingen, werden overgeplaatst naar kamp Meppen-Verssen. In het kamp aangekomen waren er al veel gevangenen tijdens de reis zo verzwakt en uitgeput dat ze het niet overleefden. Van hen die het wel overleefden waren sommigen al ‘kranzinnig’ geworden.

Neuengamme en de buitenkampen. (Schuyf, 2007)

Neuengamme en de buitenkampen. (Schuyf, 2007)

Inklaring

Het volgende wat hen te wachten stond was de ‘inklaring’, het registreren van gegevens en het krijgen van kampkleding. De inklaring was speciaal opgezet om angst aan te jagen door de gevangenen lange tijd te laten wachten en dan opeens alles in snel tempo weer te laten verlopen. Eerst moesten de gevangenen voor een schrijver gaan staan en hun persoonlijke gegevens op een Haftlingspersonalbogen (speciale kaart voor registratie van gegevens) invullen. Na het registreren moesten ze allemaal weer klaar gaan staan en kregen ze het commando ‘Ausziehen’, wat betekende dat ze hun kleding moesten uittrekken. Alleen de schoenen, toiletbenodigdheden en het tabak mochten meegenomen worden. De rest van de bezittingen werden ingeleverd en in een papieren zakje gestopt. Elke gevangene en dus ook Andries en Pieter kregen een ‘Erkennungsmarke’, een metalen plaatje met daarop een nummer. Dit plaatje moesten ze om hun hals hangen. Naakt en met veel lawaai moesten ze een kelder inlopen en werden ze na ongeveer 15 minuten vlug ingezeept, geknipt en geschoren. Schaamharen, baard, oksels, hoofd, alles werd geschoren. Dit ging er niet zachtzinnig aan toe, sommigen kwamen bloedend onder het mes vandaan.

Hierna volgde een snelle douche. Nog druipnat van het water werden alle gevangen naar een volgende barak gestuurd, de bekleidungskammer (Kledingkamer). Hier kregen ze in een rap tempo een oude onderbroek, versleten hemd, broek en een jas. Alles is te klein of te groot. Bij het krijgen van de kleding, of beter gezegd kledingsstukken, kreeg elke gevangene ook een lapje stof. Op dit lapje stond een nummer, dezelfde als op het metalen plaatje, en een hoofdletter H. Deze hoofdletter gaf aan dat je een Hollander was. Dit alles moest in zeer rap tempo gebeuren. Als het te langzaam ging naar hun zin, volgden er een paar rake klappen op de naakte lichamen van de gevangenen. Vervolgens gingen ze in hetzelfde tempo naar de barak, een kleine ruimte waar ze van hun eerste nacht konden ‘genieten’.

Onderkomen


Nadat alle gevangenen hun kleding hadden ontvangen, moesten ze buiten in de kou alweer klaar gaan staan. Ze zouden hun slaapplaatsen toegewezen krijgen, maar voordat het zover was kregen alle gevangenen, en dus ook Andries en Pieter, nog een paar kampinstructies. Ook hoorden ze hoe de Duitsers over de Nederlanders dachten, dit was niet positief. Hiernaast waarschuwden de ervaren gevangenen de ‘nieuwkomers’ voor het slechte water, hierdoor kreeg men last van diaree. Na al deze instructies en waarschuwingen mochten de gevangenen eindelijk naar hun slaapplek, hun ‘krib’. Deze plek bestond uit niet meer dan stapelbedden van hout die drie hoog waren, met wat strozakken. Kortom: verre van comfortabel.

De wegen scheiden zich

De weg van Pieter Hakvoort 

Pieter en Andries bleven in het hoofdkamp niet lang samen. Zes dagen later werd Pieter op transport gezet naar Wedel, en Andries naar Husum. Dit was de laatste keer dat zij elkaar zagen.

Nadat Pieter in Wedel aankwam, werd dit kamp ontruimd op 20 november. De reis ging naar Meppen-Versen samen met een groep Puttenaren.

Pieter stierf binnen een maand na aankomst in Meppen-Versen, op 22 december 1944. Van de 56 Puttenaren die tegelijkertijd met Pieter aankwamen, stierf meer dan de helft in diezelfde maand, december 1944. Eind maart 1945 was geen van hen meer in leven. De omstandigheden waren extreem slecht.
De oorzaak was het zware werk en de veel voorkomende dysenterie. Door de slechte hygiëne was dysenterie haast niet te voorkomen. Al was er nog zo gewaarschuwd voor het slechte water, ontkomen kon haast niemand eraan. Eerst kreeg Pieter last van diarree, waarna dit overging in dysenterie, ook wel omschreven als bloed-diarree. Pieter zal vermoedelijk overgebracht zijn naar het ‘revier’, een ziekenbarak. In de ziekenbarak kon men echter weinig doen. De ziekenbarak was het voorportaal van de dood. Door de uitputting van het werken en de slechte voeding volgde een spoedige dood. Met de dood van Pieter was het zeker te stellen dat Andries er vanaf dat moment helemaal alleen voor stond.

Pieter Hakvoort (bron onbekend; kopie Stichting Urk in Oorlogstijd)

Pieter Hakvoort (bron onbekend; kopie Stichting Urk in Oorlogstijd)

De weg van Andries

Andries’ reis duurde langer. Vanuit Husum kwam hij op 1 november aan in Ladeland. Nadat dit kamp ontruimd werd in december 1944, vertrok hij weer naar het hoofdkamp Neuengamme. Tot slot kwam ook Andries aan in Meppen-Versen op 06 januari 1945, Pieter was toen al overleden.

 

Eten in de barakken. (Vriendenkring Neuengamme)

Eten in de barakken. (Vriendenkring Neuengamme)

Het werk

Na de reis die Andries had afgelegd, moest hij werken, zowel in Meppen-Verssen (2,5 maand) als in het hoofdkamp. Dit werk bestond voornamelijk uit werken in fabrieken en het graven van tankgreppels. Dit was ‘moordend’. Tijdens het werk moesten de gevangenen vaak uren aaneen in het ijskoude water staan. Hieraan bezweken heel veel gevangenen. Vanaf de herfst van 1944 werden gevangenen voornamelijk ingezet om tankvallen of antitankgrachten te graven. Zo ook Andries. Dag in dag uit groef hij grote grachten van drie meter diep, die vier á vijf meter breed waren. Deze tankvallen werden aangelegd als onderdeel van de “Friesenwall”, een linie die werd opgezet om zo een invasie van de geallieerden in het noorden van Nederland, Denemarken en Duitsland tegen te gaan.

Eten


Het eten was slecht, de gevangenen kregen niet genoeg voeding en de middelen waren ook niet voorhanden. Veel van het voedsel was vloeibaar. Nederlanders waren gewend aan stevig eten, stukken vlees en stampot. Er is gesuggereerd dat mede hierom veel Nederlanders zijn omgekomen, soep alleen was immers niet genoeg. Met het naderen van het einde van de oorlog werd ook het voedsel steeds minder in het kamp. Om halfzes moest iedereen aantreden en zijn ‘bed’ opmaken. Hierna kregen ze dan een ontbijt wat bestond uit een klein stukje brood en een klein beetje opgewarmd water, wat moest lijken op koffie. Na het onbijt volgde het appèl. Na het appèl moest er gewerkt worden van acht uur ‘s ochtends tot zes uur ’s avonds. Tussendoor kregen de gevangenen in de middag één tot anderhalve liter van de beruchte ‘Streckrubensuppe’ uitgedeeld. Dat is soep van koolrapen, zonder vet. Vaak werden de schillen van de aardappelen meegekookt, omdat er van de kampleiding niets verloren mocht gaan. Als de gevangenen geluk hadden stonden ze achteraan, zo kregen ze nog iets voedzaamst binnen van wat onderin de pan zat. Tot slot volgde het ‘avondeten’. Dit kwam om zeven uur ’s avonds. Het brood dat de gevangenen kregen was eigenlijk al bedoeld voor de volgende ochtend. Veel gevangenen aten dit brood ’s avonds op om met een enigszins gevulde maag te kunnen gaan slapen. Hiernaast kon zo niemand het brood stelen.

Verblijf

Net als het werk was het verblijf letterlijk en figuurlijk ‘moordend’. Elke dag moesten de gevangenen in een grote modderpoel werken, meter voor meter moest de grond gedraineert worden om klaar te maken voor bebouwing of voor het plaatsen van anti tank middelen. Dit werk gebeurde van ’s morgens vroeg tot ‘s avonds laat, dag in dag uit, ongeacht kou of regen. Dit terwijl zij werden blootgesteld aan de vreselijke terreur van de SS. Na het werken gingen de gevangenen terug naar hun barakken. Vanaf 1943 stonden er in elke barak stapelbedden van drie bedden hoog. Deze barakken werden al heel snel te klein door de constante toename van gevangenen. De ‘bedden’ waren iets meer dan houten planken zonder deken. De gevangenen, vaak vel over been, kregen open wonden door het liggen op deze planken. Schoenen moesten tijdens het slapen aangehouden worden want wegzetten betekende dat een ander ermee vandoor ging. Andries was niet de enige Nederlander in het kamp, hij was er samen met vele andere Nederlanders die opgepakt waren voor het plegen van verzet. In Neuengamme bevonden zich mensen die aan elke vorm van verzet hadden deelgenomen, zoals het verspreiden van illegale bladen, spionage, gewapend verzet, LO, LKP, en ook klein, lokaal verzet waarvoor Andries en Pieter waren veroordeeld.

Evacuatie van KZ Neuengamme

Het is een wonder te noemen dat Andries nog leefde, na meer dan een halfjaar in kamp Meppen-Verssen te hebben gewerkt. Op 25 maart werd Meppen-Verssen ontruimd. Andries, die daar tot die tijd verbleef, werd samen met vele anderen op transport gezet, terug naar het hoofdkamp Neuengamme. Rond 8 april 1945 kwam hij hier aan.

Tussen 7 en 23 april 1945, werd aan iedere gevangene meegedeeld dat ze leren schoenen moesten aantrekken. Dit was opmerkelijk, want de gevangenen liepen op houten schoenen die kapot en versleten waren. Op appèl ontvingen zij rode kruispakketten uit de barakken van de Denen en de Noren. Niet veel later liepen de gevangenen de poort uit van het hoofdkamp en vertrokken ze in groepen van ongeveer 100 mannen. Wat veel gevangenen zich afvroegen was waar ze heen gingen en of er een kans was op vluchten.

De Duitsers probeerden hun sporen van het kamp zo uit te wissen, de Geallieerden mochten uiteraard van niets weten. Wat de gevangenen niet wisten was dat de hogere Duitse staf, met name Karl Kaufman, de Gauleiter van Hamburg, zich hetzelfde afvroeg: ‘Waar moeten de gevangenen naartoe?’ Kaufmann was niet alleen de Gauleiter van Hamburg, ook vervulde hij de functie van Rijkscommissaris voor de zeevaart. Hierdoor had hij de mogelijkheid de drie schepen, Cap Arcona, de Thielbeck, Athen, Deutschland en de Elmenhorst voor de kust te laten leggen. Deze schepen lagen in Lubeck en deels in de Lubecker Bocht. Al deze schepen werden aangewezen als onderkomen voor de gevangenen.

De meeste gevangenen, ongeveer 9000 mannen, werden eerst per voet naar de treinen getransporteerd. In kalm tempo werden zij door een mooie tuinbouwstreek naar de wagons vervoerd, voor velen zou dit de laatste tocht zijn. Vanaf station Bergedorf werden de gevangenen weer in goederenwagons gestopt, wederom zwaar bewaakt. In deze verschrikkelijke situatie verbleven ze maar liefst twee dagen en nachten. Aangekomen in de haven van Lubeck moesten ze nog twee dagen wachten. Twee keer per dag kwam er een vrachtwagen om de doden op te halen. Tijdens het transport werd Andries, die nog een beetje voedsel had, overvallen door Russen. Zowel het voedsel als zijn sigaretten werden gestolen. Dat Andries had teruggevochten bleek wel uit het feit dat hij bijna geen tanden meer in zijn mond had. Aangekomen op de haven hoorden de gevangenen van de bewakers geruchten dat het Rode Kruis hen naar Zweden zou overbrengen. Dit bleven geruchten, want de meeste gevangenen werden ondergebracht op de schepen. Een groep Zweden kwam inderdaad op een apart schip terecht, zij gingen hun vrijheid tegemoet.

Aan boord

Net als bij de aankomst in Neuengamme werden de gevangenen en Andries te midden van deze grauwe mensenmassa met veel geschreeuw en slagen de boten opgejaagd, de ruimen en vertrekken in. Andries kwam terecht op de Athen, een grote vrachtboot. De situatie was een ‘hel’. Samen met vele anderen kwam hij in één van de vele ruimen terecht tussen medegevangenen, zogenoemde “muzelmannen”. Deze mannen hadden de dood al op hun gezicht staan. Dat de situatie op de Athen slecht was zagen de Duitsers nu ook in en ze besloten om de zieken naar de Cap Arcona, een zeer luxe passagiersschip, te verplaatsen. Andries, die last kreeg van dikke benen vroeg ook toestemming om overgeplaatst te worden. Zijn verzoek werd ingewilligd en zo kwam hij op de Cap Arcona terecht.

Wagon waarmee de gevangenen werden geevacueerd. (Vriendenkring Neuengamme)

Wagon waarmee de gevangenen werden geevacueerd. (Vriendenkring Neuengamme)

Het noodlot of vooraf bestemd?

Was de situatie op de Athen al onbeschrijfelijk, op de Cap Arcona bleek het al niet beter. Er was geen sprake van orde of dat er iets geregeld werd. Ieder deed waar hij zin in had, voor zover dit kon. Aan boord van de Cap Arcona waren diverse nationaliteiten zoals Nederlanders, Fransen maar ook Russen. Vooral de laatste groep gedroeg zich allesbehalve netjes. De Russen besprongen iedereen die maar iets van voedsel bij zich had, zeker als de gevangenen naar boven of beneden moesten klimmen om naar een ander dek te gaan. In het midden van deze chaotische toestand kwam Andries ene meneer Bruins en meneer Stokkermans tegen, allebei Nederlanders. Samen vormden ze met nog een paar Nederlanders een groep. De ruimte waar ze in verbleven was zeer beperkt en het sanitair liet ook te wensen over. Er was geen water en de wc was bevuild met onderbroeken en bloed diarree. Het was dan ook niet verwonderlijk dat de lucht ondraaglijk was. Patrijspoorten openen ging niet omdat dit weer heel veel kou met zich mee zou brengen. De lijken begonnen zich nu op te stapelen, zowel op het dek als in de duistere hoeken van het schip, soms kwam er een schip langs om de lijken op te halen, een andere keer werden ze overboord gegooid. De Russische gevangenen begonnen steeds gewelddadiger te worden en gingen als beesten te keer. Er heerste moord en doodslag. Andries was niet alleen tijdens het transport in aanraking gekomen met de Russen, ook aan boord waren zij aanwezig. Samen met andere Nederlanders raakte hij weer in gevecht met de Russen die voedsel wilden. De bewakers grepen niet meer in en vanwege hun meerderheid lukte het de Russen het voedsel dat er nog was afhandig te maken.

Als ratten in een val

Op 3 mei, na een ruime week op het schip te hebben gezeten, klom een groep gevangenen naar boven. Op het dek staande zagen ze vliegtuigen rond cirkelen boven de schepen. Niet veel later klonk er een vreselijk gebulder, de schepen die nog kanonnen hadden vuurden op de vliegtuigen. De gevangenen vreesden dat het schip ieder ogenblik kon zinken. Om half drie in de middag werden de schepen geheel onverwacht aangevallen door Engelse vliegtuigen. Het bericht dat er gevangenen op de schepen waren werd te laat bekend. Ook de witte vlaggen die gehesen waren mochten niet baten. Door het schip ging een vreemde siddering toen maar liefst 63 raketten op de Cap Arcona werden afgevuurd. Niet veel later stond het schip overal in brand, net als de Thielbeck en de andere schepen. Als ratten in een val probeerden de gevangenen van het brandende schip te komen. In het gekrijs en gegil schoten de SS’ers hun geweren leeg op de gevangenen. De gevangenen die dit overleefden en niet onder de voet werden gelopen, bereikten het dek. De enige uitweg was de koude golven waarin duizenden gevangenen verdronken.

Op een zeker moment kapseisde het schip naar de bakboordzijde, de linkerkant. Op de scheepswand hingen ongeveer 314 gevangenen. Door de brand werd het metaal van het schip steeds heter en dwong het de gevangenen naar de kiel te klimmen. De gevangenen die naar het strand probeerden te zwemmen werden alsnog door SS’ers doodgeschoten. Tegen het eind van de middag, begin van de avond, werden de gevangenen die nog op het schip waren op bevel van de Engelsen eraf gehaald. In de zee en de haven dreven duizenden lijken die nog weken na de ramp op het strand aanspoelden. In het midden van de chaos overleefden meneer Bruins en Stokkermans de ramp samen met een aantal andere Nederlanders. Het zicht op “Dries”, zoals ze Andries noemden, was verdwenen. Tijdens zijn ziekenhuisverblijf probeerde meneer Bruins Andries nog op te zoeken, maar er was geen spoor van hem terug te vinden. Op 2 mei 1945, in het midden van golven of op het brandende schip, is Andries zeer waarschijnlijk omgekomen. Na de verhoren in Arnhem, het concentratiekamp en de dood van Pieter Hakvoort overleefd te hebben, bleek dat de ramp op de Cap Arcona teveel was. Vlakbij de plek waar de Cap Arcona zonk heeft men na de oorlog een gedenksteen geplaatst voor al de omgekomen gevangenen.






Na de oorlog

In juni 1945 was het al wel bekend dat Pieter Hakvoort niet meer terug zou komen naar ‘de Bult’. In de plaatselijke krant had men ter herdenking zijn naam geplaatst bij zijn omgekomen plaatsgenoten. Van Andries wist men op dat moment nog niets, zijn ouders verkeerden dan ook nog in de veronderstelling dat hij terug zou komen. Die hoop duurde tot december 1946. Het wachten werd beëindigd door een brief van meneer Bruins en meneer Stokkermans, zij konden de ouders van Andries met enige zekerheid zeggen dat hij niet meer op Urk zou terugkeren. Het duurde nog tot 1953 voordat Pieter Hakvoort werd herbegraven op Urk, zijn geliefde woonplaats. Op zijn graf prijkt het opschrift uit Jesaja 16 vers 3: ‘Verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen niet.’

Bronvermelding

Per hoofdstuk is aangegeven welke bronnen gebruikt zijn. Voor het gebruik van afbeeldingen en/of foto materiaal is toestemming gevraagd. Er zijn enkele afbeeldingen waarvoor geen contact geweest is met de mogelijk rechtmatige eigenaar. Meent u de rechtmatige eigenaar te zijn, dan vraag ik u vriendelijk contact op te nemen.

Opmerking: In de eerste hoofdstukken kan het voorkomen dat het boekwerkje van de heer Bruijns wordt aangehaald, dit is puur gebruikt bij het beschrijven van een beeld, niet voor de feiten als zodanig.

De heer Norg wordt zowel aangehaald op grond van zijn geschreven artikelen als een interview dat met hem is afgenomen. De uitspraken hierin zijn ook te herleiden uit zijn beschreven artikelen.

Wie waren Andries Pasterkamp en Pieter Hakvoort?
Bolle, L. (2008). Urk in Oorlogstijd. De geschiedenis van een vissersdorp tijdens de Tweede Wereldoorlog 1940-1945. Urk: Drukkerij ’t Kleine Klif
Jorna, M. Nationaal Archief. (2008). Betreft kopieen CABR. correspondentie tussen de heer Brands, P. & Mevr. Jorna, M. Den Haag: Nationaal Archief
Stichting Urk in Oorlogstijd. Interview mevr. Pasterkamp. Urk 2011
Stichting Urk in Oorlogstijd. DGA0064-Jelle Pasterkamp-aantekeningen. Urk, 2009

Kamp Amersfoort
Kamp Amersfoort/P.Brands. (2008). Vragenlijst voor informatieaanvraag over oud-gevangene Kamp Amersfoort.
Laurentius, Drs. V. (2008). Uw verzoek binnengekomen d.d. 12 maart 2008.
Correspondentie tussen dhr. Brands, P. & Drs. V. Laurentius – Behandelaar Oorlogsnazorg. Den Haag: Het Nederlandse Rode Kruis Pregner, K. (2010). Concentratiekampen – Strafmaatregelen en gevangenenhiërarchie. Geraadpleegd op 28 augustus 2011 van http://www.go2war2.nl/artikel/1226/19
Sintniklaas, H. 1999. De SS-Frontarbeiders van kamp Amersfoort. Kampen – Kok.

Neuengamme
Bolle, L. (2008). Urk in Oorlogstijd. De geschiedenis van een vissersdorp tijdens de Tweede Wereldoorlog 1940-1945. Urk: Drukkerij ’t Kleine Klif
Bruins, J.D. (1945). Naar het land van de MISDAAD. Sappemeer: Drukkerij “Dijkhuis” Blz 18
Garbe, D. Neuengamme – Stammlager, in: W. Benz und B. Distel [Hrsg.] Der Ort des Terrors. München 2007, p. 321.
Littlejohn, A. (2008). Betr. Oproep. Correspondentie tussen dhr. Brands, P. & mevr. Littlejohn, A. Amersfoort: Stichting Hart voor Kamp Amersfoort.
Schuyf, J. (2007) Nederlanders in Neuengamme. Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis. bladzij 21, 65, 184, 189
Wouters, Tj.(1948). Opdat het nageslacht het wete. Putten Gelderland.
Van Pée, Raymond. (1995). Ik was 20 in 1944, Relaas uit Neuengamme en Blumenthal. Antwerpen: EPO.
Norg, J.K. (2011). De arbeidseinsatz van KZ-Häftlingen.
Norg, J.K. (2011). Het concentratiekamp Neuengamme en de buitenkampen. Harlingen, 2009. Geschreven voor de stichting ‘Vriendenkring Neuengamme.
Norg, J.K. (2011). Aantekeningen voor artikel Andries Pasterkamp. Harlingen, 2011

De wegen scheiden zich
Bruins, J.D. (1945). Naar het land van de MISDAAD. Sappemeer: Drukkerij “Dijkhuis” Bladzij 17, 20
Schuyf, J. (2007) Nederlanders in Neuengamme. Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis. bladzij 55, 57,65-91, 99, 102, 108, 211
Norg, J.K. (2011). Interview, bezoek door P.Hoekstra & R.Hofman. Harlingen.
Van Pée, Raymond. (1995). Ik was 20 in 1944, Relaas uit Neuengamme en Blumenthal. Antwerpen: EPO.

Evacuatie van KZ Neuengamme
Bruins, J.D. (1945). Naar het land van de MISDAAD. Sappemeer: Drukkerij “Dijkhuis” Blz. 17, 20, 31, 32, 36-41, 45
Leidemeijer, R. (2005). ‘De Duitsers wilden gewoon van alle gevangenen af’. Friesch Dagblad: Dossier.
Schuyf, J. (2007). Nederlanders in Neuengamme. Zaltbommel: Uitgeverij Aprilis. Blz. 209 – 212, 214
Van Pée, Raymond. (1995). Ik was 20 in 1944, Relaas uit Neuengamme en Blumenthal. Antwerpen: EPO.
TV uitzending Andere Tijden. (2011). De ramp met de Cap Arcona aflevering / za 15 januari 2011 20:40. VPRO.

Na de oorlog
Afdeling Doc. Opsporing. (1949). Werkrapport 11/sub122 inzake Andries Pasterkamp. ‘s-Gravenhage.
Stichting Urk in Oorlogstijd. DGK0127 – Urkerland 29 juni 1945 – Andries Pasterkamp