Ieder jaar wordt op 4 mei op Urk een Dodenherdenking gehouden bij het oorlogsmonument. Op dit monument zijn de namen van dertien Urkers vermeld. In 1995 zijn aan het monument nog de drie namen van de joodse familie Kropveld toegevoegd. Achter de namen op het monument gaan levensverhalen schuil van Urkers die op één of andere manier de vrijheid met hun leven hebben moeten bekopen. Dit themaverhaal beschrijft de levens- en overlijdensgeschiedenissen van de namen op het monument.

Pieter Hoekman

Geboren: 14 januari 1917 te Urk
Gestorven: 6 november 1943 te Keent

Toen de oorlog uitbrak was Pieter Hoekman een bijzondere jonge man van 23 jaar. Van beroep marechaussee te paard lukte het hem in 1942 om zich aan te sluiten bij de Prinses Irene Brigade in Canada. Toen hij met de HMS ‘Queen Elizabeth’ in Engeland aankwam, koos men hem uit als geheim agent/parachutist om een missie in het bezette vaderland uit te voeren. Hij was één van de eerste Nederlanders die hiervoor een opleiding volgde. Samen met zijn groep ‘Barbara’ werd Pieter Hoekman boven Nederland gedropt. Het was hun taak berichten naar de geallieerden te verzenden. Gevaarlijk werk, omdat de Duitse opsporingsdienst altijd actief op zoek was naar geheim agenten. Het dagelijkse gevaar doortrok zijn persoonlijke leven. Ontmoetingen met plaatsgenoten waren bijna niet mogelijk. In de oorlog kon hij zich alleen op een geheime locatie verloven met zijn geliefde, Antje Metz.

November 1943. Pieter en twee andere agenten waren op weg naar een boerderij in Keent (Noord Brabant) om daar volgens afspraak gedropte spullen van medeparachutisten op te halen. Wat zij niet wisten, was dat de boer informatie over hun geplande komst had doorgegeven aan de Duitsers. Dit verraad hield verband met de praatjes die in het dorp rondgingen over het vliegtuig dat die nacht zo laag overgevlogen was. Bij binnenkomst van de woning keken Pieter en de andere agenten in de lopen van geweren. Een schietpartij ontstond, Pieter werd geraakt en stierf. Zijn twee collega-agenten ontkwamen dankzij het optreden van Pieter.

Het lichaam van Pieter Hoekman werd door de Duitsers meegenomen en verbrand in een mobiele crematiewagen van concentratiekamp Vught. De familie hoorde pas meer dan een jaar later dat hij omgekomen was. De moeder van Pieter verloor zo tijdens de oorlog niet alleen haar broer (zie het verhaal over Pieter Hakvoort) maar ook haar eigen zoon! Op Urk gingen door dit bericht bij veel huizen de vlaggen halfstok. In een toespraak bij de onthulling van het oorlogsmonument stelde zijn voormalige chef Pieter Hoekman tot voorbeeld voor de Urker bevolking. Hij beschreef Pieter als iemand die hij had leren kennen als één van de besten van de Engelandvaarders, iemand die tot de laatste snik streed voor de vorstin, het vaderland en zijn vrienden.

Pieter Hakvoort

Geboren: 1 mei 1886 te Urk
Gestorven: 22 december 1944 in Neuengamme

Pieter Hakvoort werd door anderen getypeerd als een rustige en hardwerkende man. Hij was getrouwd met Aaltje Loosman (van de vuurtoren). De deur van hun huis in Wijk 1-20 stond altijd open voor gasten. Net als zijn vader Klaas en broer Lub was Pieter scheepstimmerman van beroep. Zijn vader heeft de huidige werf nog met de hand uitgegraven. Andries ‘de Flux’ was een bekende zoon van Pieter op Urk. Hij en andere familieleden beoefen(d)en eveneens het ambacht van scheepstimmerman.

Omdat de familie bekend stond als betrouwbaar en hulpgevend, kwamen de onderduikers eigenlijk vanzelf naar hen toe. In de timmerschuur met bovenwoning van de scheepswerf gaf Pieter onderdak aan mensen die door de Duitsers gezocht werden. Het werd een doorgangshuis voor geallieerde piloten die neerstortten in de polder. In het huis van Pieter zaten ook Joden ondergedoken. Een Joodse jongen was kind aan huis en hielp als tolk in de gesprekken met piloten. Onder de schaafbank was een schuilplaats gegraven voor ongeveer 5 personen. Als er geen gevaar was, konden de onderduikers zich vrij bewegen in het huis. Men ging zo zorgvuldig te werk dat zelfs de namen van de mensen die bij hen schuilden onbekend bleven. Pieter onderhield nauwe contacten met plaatsgenoot Pieter Brouwer, die ook actief was in de hulp aan onderduikers. Hielke Vos van de Zuiderzeewerken bracht de vliegers bij Pieter Hakvoort en Cornelis Kramer zorgde voor extra bonkaarten en vervalsingen. Vliegers werden door Lub Hoekman met de sleepboot naar Enkhuizen gebracht en daar verder geholpen. Samen met anderen stonden deze mannen in contact met de Landelijke Ondergrondse in Noord-Holland waar de mensen naartoe werden doorgesluisd. Door Radio Oranje was de familie Hakvoort goed op de hoogte van de stand van zaken van de oorlog. Later werd ook bij broer Lub een grote schuilplaats gegraven, die hoofdzakelijk werd gebruikt bij razzia’s, maar ook voor de hulp aan piloten.

Op maandag 29 mei 1944 werd Pieter Hakvoort gearresteerd door de Duitsers. In eerste instantie als een vergeldingsactie voor de Oranjeleuzen op de straten waarbij als dader ook zijn zoon werd genoemd. De politie bracht Hakvoort samen met zijn dochter, haar vriend Andries en diens zusje naar de SD in Arnhem. De SD in Arnhem kreeg dankzij een verrader informatie binnen over Pieters hulp aan Joden en piloten op Urk. Eerst zat Pieter lange tijd in concentratiekamp Amersfoort gevangen. In een brief naar huis schreef hij: “Ik maak mij hier veel vrienden dus we zullen na de oorlog wel visite krijgen”. Hij zou echter, net als Andries, Urk nooit meer terugzien omdat hij in oktober naar Neuengamme werd getransporteerd. Daar kwam hij terecht in kamp Meppen, één van de meest beruchte kampen vanwege het zware werk dat de gevangenen daar moesten doen: tankwallen graven. Een gevangene schrijft over dit kamp: “Meppen was zo slecht. Daar werd je ’s morgens het stro uitgeslagen. Want daar lag je in de stro, buik aan buik, in de schijt, want er waren ook wel jongens ziek natuurlijk. Die werden dan afgevoerd”. Pieter overleed op 22 december 1944 in Meppen volgens de kampadministratie aan buikloop. De bevrijdingsvreugde ging aan het gezin Hakvoort dubbel voorbij, omdat ze ook zoon Jan (betrokken bij het schietongeluk tijdens de bevrijdingsfeesten) verloor. Enige jaren geleden bezocht een echtpaar Urk, waarvan de echtgenoot de familie van ‘ome Piet’ op kwam zoeken. Hij had samen met Pieter in Neuengamme gezeten. Pieter Hakvoort is pas in 1953 herbegraven op Urk in een officieel oorlogsgraf op de begraafplaats bij het Kerkje aan de Zee. De naleving van het Bijbelse gebod ‘Verberg de verdrevenen, verraad de vluchtelingen niet’ (Jesaja 16: 3) moest hij, zoals zovele verzetslieden, bekopen met zijn leven.

Pieter Romkes

Geboren: 29 september 1915 of 15 september 1915 te Urk
Gestorven: in april 1943 in Birma

Pieter Romkes bracht zijn jeugd door op Urk in Wijk 6-19. De straat bij de Petrakerk, Wijk 7, werd na de oorlog naar hem vernoemd. Om zijn diensttijd te vervullen, meldde de 27-jarige Pieter zich in 1932 aan als koloniaal vrijwilliger. Hij kwam bij de pantserafdeling van de Landmacht in Nijmegen terecht. Na zijn opleiding ging hij in 1935 voor het eerst naar Nederlands-Indië. In 1943 zat zijn diensttijd erop, maar Pieter tekende bij voor drie jaar. Hij werkte zich in de daaropvolgende jaren op tot onderofficier. Met het thuisfront had hij veel briefcontact, maar toen de oorlog met Japan uitbrak, stopte de briefwisseling. In spanning wachtte de familie op berichten, terwijl ze alleen nog hun herinneringen hadden aan een zoon in een prachtig legeruniform tijdens zijn verlof op Urk. Na de oorlog kreeg zijn broer Lub van het Rode Kruis in Amsterdam te horen dat Pieter Romkes al twee jaar eerder overleden was.

Pieter was gevangen genomen door de Japanners. In een kamp in Thailand verrichtte hij met zijn medegevangenen dwangarbeid aan de beruchte Birma spoorweg. Hij overleed in april 1943 aan de gevreesde kampziekte dysenterie. Omdat hij één van de eerste gevangenen was die in het kamp overleden, kreeg hij nog een echte begrafenis en een dominee hield daarbij een toespraak. Toen er meer doden vielen in het kamp, werd dit niet meer toegestaan door de Japanners. Jaren na de oorlog kregen de bedroefde ouders en broers nog een aantal bezittingen van Pieter in een pakketje terug: een portefeuille met foto’s en enkele gegevens. Het lichaam van deze Urker ligt in Indië begraven. Boven de rouwadvertentie vermeldde de familie de tekst uit Job 19:10.

Jan Ras

Geboren: 4 november 1918 te Urk
Gestorven: 8 april 1945 in kamp Neuengamme

De 25-jarige Jan Ras is in 1943 van beroep grondwerker bij de Zuiderzeewerken. Ook hij was betrokken bij het verzet. Op 26 augustus 1944 werd hij door de Duitsers in de trein van Amsterdam naar Alkmaar gearresteerd, omdat hij een aantal documenten en ongestempelde bonkaarten bij zich had. Via Amsterdam werd hij naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht, vanwaar hij op 8 september op transport werd gesteld naar het kamp Neuengamme in Hamburg.

Jan Ras verrichtte onder andere dwangarbeid in een klein kamp nabij het dorpje Husum, ongeveer veertig kilometer van de Deense grens, waar hij met vele Puttenaren gevangen zit. Uit beschrijvingen van andere gevangenen is op te maken dat de reis vanuit Hamburg hier naartoe drie of vier dagen duurde en ze soms met zeventig man in een goederenwagon zaten, praktisch zonder voedsel. De bewakers, de Kapo’s, waren bruut in hun optreden. Verschillende mensen werden ondanks hun harde werken doodgeslagen. De situatie in buitenkamp Husum in Sleeswijk-Holstein was bijzonder slecht. Gevangenen moesten ook hier tankgrachten graven, waarbij men soms met het hoofd onder water moest om nog te kunnen scheppen. De dagen in Husum blijken een aaneenschakeling van dood en ellende. Een gevangene vertelde later:”Het werk was dermate zwaar, dat onze jongens na verloop van enkele weken reeds sneuvelden. Overal waren doden iedere morgen, na iedere werkdag, na ieder Appèl. Het was voor mij vreesaanjagend en toen ik mij een zekere keer weer eens helemaal kon wassen, schrok ik van de magere benen die ik zelf al had. Het klimaat in de streek was uitermate geschikt om een mens in een zo kort mogelijke tijd te doen laten sterven”. Tijdens werkdagen van twaalf uur mochten gevangenen slechts kort pauzeren, zonder voedsel of water. Velen hadden verschrikkelijke buikkrampen, en deden in deze pauze hun behoefte in de vorm van bloed en water. Een gevangene vertelde: “We voelden dan ook niet meer de gummi zwepen die over onze ruggen knalden, wanneer wij te lang bleven zitten. Wij verlangden slechts van deze slopende dysenteriepijnen verlost te worden”.

Net voor het einde van de oorlog overleed Jan Ras in het kamp Neuengamme. De familie kwam hier pas enkele jaren later achter door het relaas van een van de weinige overlevenden uit dit kamp. Hij kon vertellen Jan Ras eigenhandig begraven te hebben in een massagraf waarin ook honderden Polen, Tsjechen en Fransen en Nederlanders waren begraven. Het overlijden van Jan Ras was een groot verlies voor zijn vrouw en drie kinderen. ‘Het zuchten van de gevangenen kome voor uw aangezicht, doe de ten dode gedoemden overblijven naar de grootheid van uw arm’ (Psalm 79: 11) stond boven een rouwadvertentie van de familie.

Hessel Hoefnagel

Geboren: 14 april 1922 te Urk
Gestorven: 5 april 1945 te Wierden

De 21-jarige Hessel kreeg in 1943, net als veel andere Nederlandse mannen, de oproep om te gaan werken in Duitsland. Hij weigerde echter diverse oproepen en moest vervolgens onderduiken. Het eerste schuiladres was bij een leider van de ondergrondse, Johan ter Keurs in Enter (Overijssel). Na dit eerste adres ging hij bij zijn broer wonen. Al snel raakte Hessel betrokken bij het werk van de landelijke ondergrondse.

Vlak voor de bevrijding raakte de groep van Hessel bij een noodlottige verzetsactie op een boerderij in vuurgevecht met de vijand. De groep, die bestond uit achttien man, schoot vanuit een boerderij op terugtrekkende Duitsers, maar deze kwamen terug met versterking en schoten de boerderij in brand. De munitie van de mannen raakte op en zeventien leden, waaronder Hessel Hoefnagel, werden gearresteerd en ter plekke gefusilleerd. Zo kwam een einde aan het leven van deze vurige en felle verzetsman. De boeren uit de omgeving kregen van de bezetter opdracht om een massagraf te graven voor de omgebrachte leden van de ondergrondse.

Groot was de verslagenheid toen de familie op 17 april 1945, twaalf dagen later, te horen kreeg dat Hessel Hoefnagel door de Duitsers was gefusilleerd. Zijn lichaam werd opgegraven uit het massagraf en met militaire eer van de ondergrondse op Urk herbegraven. Zijn grafsteen is nog te vinden op de begraafplaats naast het Kerkje aan de Zee.

Jan Pelleboer

Geboren: 26 november 1909 te Amsterdam
Gestorven: 23 februari 1945 in kamp Neuengamme – Fuhlsbüttel

Jan Pelleboer werd in 1909 in Amsterdam geboren. Door zijn huwelijk kwam hij op Urk te wonen, in Wijk 1-62. Hij was werkzaam in de drooggelegde polder, bij het zuigertje. Op 17 november 1944 was Jan aan het begin van de werkdag aanwezig in kamp Zwarte Meer, bij Kraggenburg. Al snel bleek dat de Duitsers bezig waren met een grootscheepse razzia. Jan moest verplicht, net als vijftien andere Urkers die daar eveneens werkten, vanuit Vollenhove te voet naar Zwartsluis. In Meppel kwamen ze in een schoolgebouw terecht. Per treinreis leidde het transport naar Duitsland. In Lingen moesten de Urkers graszoden afsteken en graafwerk verrichten. In Biene-Holthausen (DL) deden ze soortgelijk werk, naast het omhakken van bomen.

In Biene werd plaatsgenoot Jan Pelleboer ziek. Dat was de reden waarom hij op een later tijdstip op transport ging naar Hamburg. Op een platte boerenwagen vertrok hij, om niet meer terug te keren. Louwe Gnodde vertelde hierover: “Wij hebben Jan nog een hand gegeven voor zijn vertrek. Een reis naar Hamburg was altijd enkele reis, nooit retour”. Jan kwam terecht in Fühlsbuttel, een voormalige gevangenis in Hamburg. Deze plaats was voor de oorlog door de Nazi’s in 1933 omgedoopt tot een satellietkamp van Neuengamme. Veel mensen die waren opgepakt tijdens de Kristalnacht in 1938 zaten hier gevangen. De gevangenispopulatie bestond onder meer uit Joden, anti-nazisten, Jehova’s getuigen, Romi, homoseksuelen en anderen die het regime voor wie onder het nationaal-socialistische regime geen plaats was. Jan Pelleboer was één van de 250 gevangenen die hier stierven. Het kamp werd door de SS gebruikt als startpunt voor vervoer naar de kampen van onder meer Neuengamme, Buchenwald, Ravensbrück en Sachsenhausen. Het is nooit duidelijk geworden waaraan Jan Pelleboer uiteindelijk overleed.  De rest van de groep waarmee Jan Pelleboer werd weggevoerd moest na de oorlog zonder hem naar Urk terugkeren.
Jan Pelleboer werd begraven op het Nederlands ereveld Hamburg-Ohlsdorf op 6 maart 1945


Piet Brouwer

Geboren: 22 november 1919 te Urk
Gestorven: 30 mei 1945 in Neuengamme-Wöbbelin

Piet – doopnaam Pieter – is net ‘onder de wapenen’ als in augustus 1939 de mobilisatie wordt afgekondigd. Op verscheidene vliegvelden opgeleid, overleeft hij de meidagen van 1940 op die van Bergen in Noord-Holland en Hilversum.

Na de capitulatie keert Piet terug naar Urk om zijn taken in de winkel van zijn vader – kruidenierswaren en galanterieën – weer op te nemen. Oktober 1942 trouwt hij met Nelly Metz, betrekt het winkelwoonhuis en laat door een oom een schuilplaats metselen in de kelder. Hij is lid van de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers en sluit zich aan bij de Luchtbeschermingsdienst Urk, afdeling Geneeskundige Dienst. Actief in de plaatselijke ondergrondse verbergt hij meerdere malen vliegeniers, nabij Urk neergekomen in de pas drooggevallen Noordoostpolder. Als het grootste gevaar geweken is, regelt hij voor hen een overtocht naar Noord-Holland. Door zijn (handels)contacten weet hij ook daar de weg in de illegaliteit; via een pilotenlijn naar het zuiden moeten de vliegeniers weer in Engeland terechtkomen.

Piet wordt in oktober 1944 gearresteerd, na verhoor op Urk overgebracht naar het Huis van Bewaring in Zwolle, en op veertien november naar kamp Amersfoort. Daar ontmoet hij burgemeester Keijzer – in juni op Urk uit zijn ambt gezet omdat hij weigerde samen te werken met de NSB. Met hem ‘viert’ Piet zijn 25e verjaardag.

Hoewel haperend, is er briefcontact met Nelly. Tot 6 maart 1945, daarna wordt het stil. Het blijkt dat Piet met de geallieerden in Zuid-Nederland in zicht is ingedeeld in het laatste transport naar concentratiekamp Neuengamme bij Hamburg. Op 19 maart komt hij daar aan voor een verblijf dat maar kort zal duren; in de chaos van de laatste oorlogsweken worden de gevangenen middels dodenmarsen van het ene naar het andere kamp gedreven. Eindpunt voor Piet is kamp Wöbbelin, een onderkamp van Neuengamme, waar men de mensen letterlijk aan hun lot overlaat. Op 2 mei treft de American 82nd Airborne Division – dezelfde die bij de operatie Market Garden Nijmegen had bevrijd – er 3500 overlevenden aan. Te ziek om meteen de terugreis te aanvaarden, schrijft hij tien dagen later vanuit een noodhospitaal in het nabijgelegen Ludwigslust dat ze verlost zijn uit een vreselijk kamp. Dat hij dysenterie heeft gehad en nog erg zwak is. Dat hij hoopt gauw weer geheel hersteld te zijn, want ‘We gaan binnenkort allen naar huis. Misschien volgende week al.’ Acht juni bereikt dit bericht zijn vrouw Nelly op Urk. Terugrekenend naar de datum van het schrijven begrijpt ze Piet elk moment te kunnen verwachten. Of hij ook al thuis is, vragen zijn kampkameraden van overal uit het land. Maar Piet komt niet.

Alles wat mogelijk is, wordt aangegrepen om erachter te komen wat er aan de hand kan zijn. Het Rode Kruis stelt een onderzoek in, via deze organisatie schrijft Nelly naar het ziekenhuis Ludwigslust. Haar vader en oom bezoeken, bevragen lotgenoten, autoriteiten, ambassades. Foto’s worden verspreid, oproepen geplaatst. In december ‘45 meldt het Rode Kruis nog dat het heel goed mogelijk is dat Piet nog leeft, maar dat zelfs hùn opsporingsteams moeilijk contact kunnen krijgen met personen in de Russische zone…

Maar op 16 januari 1946 – zo’n negen maanden na zijn laatste levensteken – melden de landelijke ochtendbladen plotseling dat in Ludwigslust de graven zijn ontdekt van enige landgenoten waaronder dat van Pit Brauer. In juli volgt een officiële bevestiging bij monde van de begraafplaatsbeheerder in Ludwigslust. Hij schrijft dat Piet op 30 mei 1945 gestorven is. Toen dus zijn briefje aankwam bij Nelly op Urk, was Piet al tien dagen niet meer onder de levenden. Kamp Amersfoort in goede gezondheid verlaten, waren zes weken Neuengamme en Wöbbelin hem fataal geworden.

In de zomer van 1950 krijgt Nelly zijn persoonlijke bezittingen terug: zijn trouw- en zegelring, bijbeltje, persoonsbewijs, de brieven die hij in kamp Amersfoort nog van haar ontving. Een half jaar na de val van De Muur, in mei 1990, bezoekt ze voor het eerst – in alle vrijheid – zijn graf in de voormalige DDR.


Gerrit Korf (UK 83)

Geboren: 27 maart 1905 te Urk
Gestorven: 10 maart 1941a

Jurie van de Berg (UK 83)

Geboren: 21 februari 1912 te Urk
Gestorven: 10 maart 1941


Sjoerd van de Berg (UK 83)

Geboren: 5 augustus 1918 te Urk
Gestorven: 10 maart 1941

Vissen op zee was tijdens de oorlog levensgevaarlijk. Niet alleen door beschietingen en het torpederen van visserschepen, maar ook door de mijnen die Engelsen en Duitsers in zee legden. Deze mijnen waren met ankers en een draad op verschillende diepten van de voor hen belangrijke vaarroutes gelegd. Niemand wist waar precies. Door stormweer sloegen veel mijnen los van de ankers en dreven ze naar de Hollandse kust. Een pal moest ervoor zorgen dat de drijvende mijnen, eenmaal losgeschoten van het anker, verder onschadelijk bleven. In de praktijk bleef de pal echter op zijn plaats door de begroeiing met zeepokken. De drijvende mijnen vormden dan ook een groot gevaar voor de visserij. Sommige vissers stopten onder andere om deze reden met vissen en gingen werken bij de inpoldering, aan de dijk of op een sleepboot of bak.

De 29-jarige Jurie en zijn 22-jarige broertje Sjoerd van de Berg voeren op 10 maart 1941 onder leiding van schipper en eigenaar Gerrit Korf (35 jaar) op de UK 83 mee in een konvooi voor de nachtvisserij, onder begeleiding van een patrouilleboot. Nachtvisserij was gevaarlijk, omdat dat verder uit de kust werd gedaan en niet in de buurt van de normale visgronden. Vier andere Urker visserschepen, die normaliter ook van de partij waren, voeren deze keer ondanks het gunstige visweer niet mee. Op 22 à 23 mijl afstand van IJmuiden begonnen de botters met vissen. De UK 83 was bij het uitzetten van de netten vijfhonderd meter van de UK 76 verwijderd. Vanwege het heiige weer zag schipper Kapitein van de UK 76 al snel niets meer van het schip. Ze kregen dan ook niet mee dat de UK 83 door een oorlogsmijn ontplofte. ‘De Jonge Louwe’ zonk naar de bodem van de zee en drie jonge Urkers verdronken daarbij op tragische wijze.

De andere Urker botter kreeg dezelfde nacht een mijn in het net en ook hier volgde een ontploffing. Het vistuig was verloren, maar de botter niet. Op woensdagmorgen zagen Katwijker vissers wrakhout, een kist en een nieuwe klomp drijven, maar men wist nog niet van het vergaan van de ‘Jonge Louwe’. De spullen dreven te ver weg om uit zee te halen. Wel werd een kapotte reddingsboei opgevist. Omdat de UK 83 genoeg proviand en brandstof bij zich had om drie dagen door te vissen verkeerden de andere vissers in de veronderstelling dat de UK 83 gewoon aan het vissen was. Later vernam de bemanning van de KW 104 dat de resten die ze hadden gezien, waarschijnlijk van de UK 83 waren. Verder onderzoek leverde echter niets op.

Maandenlang bleef op Urk de onzekerheid, terwijl het tegelijkertijd wel vaststond dat de bemanning omgekomen moest zijn. Een stoomtrawler viste in augustus 1941 echter een koffertje op met Urker kleren. Deze bleken afkomstig te zijn van schipper Gerrit Korf. De twee jonge echtgenotes van Gerrit en Jurie van de Berg verloren hun mannen. Brechtje van de Berg-Bakker, de moeder van Sjoerd en Jurie verloor in één klap twee kinderen. Heel Urk leefde mee met de zwaar getroffen families. Het nieuwsbericht in de Oprechte Urker sloot af met ‘De vis wordt duur betaald!’. Het vergaan van de UK 83 heeft ertoe geleid dat alle Urkers zijn afgestapt van de gevaarlijke nachtvisserij.



Andries Pasterkamp

Geboren: 1 december 1924 te Urk
Gestorven: 3 mei 1945 te Neustadt

‘De Witte’, zoals Andries’ bijnaam luidde vanwege zijn typerende golvende blonde haar, was net als zijn vader visserman. Tijdens de inpoldering ging hij aan de slag als grondwerker. Thuis had het gezin een geheime radio waarmee de gezinsleden naar de koningin luisterden. Andries kwam veel over de vloer bij de familie Hakvoort in Wijk 1-20 omdat hij verkering had met Lummetje, een dochter van Pieter.

Urk, Pinkstermaandag 1944. In de nacht van zaterdag op zondag waren op de straten van Urk leuzen geschreven als ‘Oranje boven’ en ‘Leve de Koningin’. Vele namen van mogelijke daders (veelal van een jeugdgroep) werden genoemd, ook die van Andries. Een Urker V-man (spion) van de Duitse Sicherheitsdienst gaf de naam van Andries door aan de Duitsers. Hij wees soldaten de weg naar Andries’ huis. Omdat hij had gehoord dat ’s nachts eveneens twee meisjes buiten gezien waren, drong hij er bij de Duitsers op aan ook Andries’ zus Marion en Andries’ vriendin Lummetje te arresteren. Pieter Hakvoort, de vader van Lummetje, werd daarbij eveneens gearresteerd.
Na diverse verhoren werden de vier vanuit Urker cellen overgebracht naar de gevangenis van de SD in Arnhem. Na een ruime week gevangenschap en verhoren kwamen de twee jonge meisjes weer vrij. De Duitsers waren naar verluid aanvankelijk van plan ook Pieter en Andries vrij te laten, maar kregen echter extra informatie binnen. Andries zou bij het verzet betrokken zijn en Pieter Hakvoort zou vele Joden, piloten en radio’s in zijn huis op Urk herbergen. Zonder pardon werden ze beiden gestraft en afgevoerd naar het concentratiekamp in Amersfoort. Van juni tot oktober verbleven beiden in dit concentratiekamp. Vandaar gingen ze samen met de niet veel eerder opgepakte honderden mannen van de Puttense razzia op een lang en slopend transport naar concentratiekamp Neuengamme. Pieter Hakvoort overleed eind december in Aussenlager 9 van het (buitenkamp) Meppen-Verssen aan dysenterie.

Hoewel Andries Pasterkamp de verschrikkingen van het kamp overleefde, haalde ook hij het einde van de oorlog niet. De SS merkte dat de oorlog verloren was en probeerde alle sporen van de gruwelkampen uit te wissen. Duizenden gevangen werden daarom ondergebracht op schepen in de bocht van Lübeck, een plaats waar veel oorlogschepen lagen. Andries kwam samen met vele andere gevangenen terecht op een gevorderd Duits passagiersschip. Medegevangenen van Andries op het schip hadden geluk aan hem, aangezien hij op het schip zeer goed bekend was en zo voor water kon zorgen. Helaas wist een medegevangene na de oorlog ook te vertellen dat Andries eerst alleen, en later deel uitmakend van een groep Hollanders, op het schip overvallen is geweest door Russische gevangenen vanwege voedsel. De Russen gedroegen zich allesbehalve netjes op het schip, vertellen getuigen later. Korte tijd later kreeg Andries last van de gevreesde dikke benen, een typische kampziekte. Hij verzocht daarom om overplaatsing van de Athen terug naar de Cap Arcona omdat daar meer plaats was voor zieken. Op dit laatste schip, de Cap Arcona, zat de voorzitter van de Tweede Kamer Louis Visser ook gevangen.

Tijdens een grootscheeps offensief op 3 mei bombardeerden de geallieerden vele oorlogschepen voor de kust van Neustadt. De vliegtuigen, onwetend van de gevangenen, torpedeerden hierbij de Cap Arcona en de Tilbeck tot een brandende vuurzee. Zevenduizend gevangenen kwamen om bij één van de grootste (en vergeten) scheepsrampen ooit. Ook Andries is nooit teruggevonden, hoewel er door ooggetuigen naar hem tussen de overlevenden in de barakken is gezocht. De heer J. D. Bruins die Andries ontmoette tijdens zijn gevangenschap op het schip typeerde Dries, zoals de Nederlanders op het schip hem noemden, als ‘een vriendelijke en aardige jongeman’ die zijn laatste stuk brood met hem deelde.


Klaas Kapitein

Geboren: 10 januari 1920 te Urk
Gestorven: 03 mei 1945 te Zwolle


Jan Hakvoort

Geboren: 19 augustus 1918 te Urk
Gestorven: 19 april 1945 te Urk

De bevrijding van Urk op 17 april 1945 gaf veel feestvreugde. Met vlaggen en oranjedoeken en alles wat daarop leek gaf de bevolking uiting aan haar blijdschap. In de middag werd een zangsamenkomst op de haven georganiseerd. Een massale opkomst was het gevolg. ’s Avonds werd de dankdienst in het Kerkje aan de Zee druk bezocht. Ook de spanning en woede over mensen die geheuld hadden met de vijand ontlaadde zich. Op 19 april werden op het pleintje voor het gemeentehuis de meisjes die verkering hadden met Duitsers onder luid gejoel kaal geschoren. De sfeer veranderde. In het steegje tussen de Magneet en de Bethelkerk ging het fout, een opstootje dreigde uit de hand te lopen. Een politieagent wilde in de lucht schieten maar tegelijkertijd gaf iemand een slag op zijn arm, waardoor de kogel dwars door het hoofd van de 26-jarige Jan Hakvoort ging. Hij overleed ter plekke.

Hoewel zijn moeder nog had gewaarschuwd, ‘Blijf nou toch thuis!’, wilde hij er net als vele andere nieuwsgierige Urker jongeren toch bij zijn. Een puntje van de kogel kwam in de hersenschedel van de 25-jarige Klaas Kapitein terecht. Na een kort verblijf in het ziekenhuis stierf ook hij aan zijn verwondingen. De volgende dag kwamen de Canadezen op Urk en was de feestvreugde compleet. Voor deze families bestond de bevrijding in 1945 echter uit het zitten rondom een kist en het ten grave dragen van hun zonen. Het feest ging aan hen voorbij.


Familie Kropveld

Lees op onze onderzoekspagina ‘Stolpersteine‘ de geschiedenis van de familie Kropveld.