Bijzondere verhalen & onderwerpen
Op deze pagina staan uiteenlopende verhalen over Urk en gebeurtenissen die een rol spelen in de geschiedenis van Urk en haar omgeving. Scroll en lees dus door de hele pagina.
De ijspostvluchten van 1938-1939 en 1939-1940
In strenge winters waren de wateren rondom de Nederlandse eilanden soms zo dichtgevroren, dat er geen scheepvaartverkeer mogelijk was. Dit gebeurde ook vaak met Urk. In de wintermaanden werd dan een verbinding per vliegtuig onderhouden. Deze vluchten hadden in de Urker volksmond de naam ‘ijspostvluchten’. Het vliegtuig bracht namelijk altijd zakken post mee. Soms vervoerde het vliegtuig echter ook passagiers. Een bekend voorbeeld hiervan is de vlucht van 18 januari 1940, waarmee zeven mannen van de militaire politie naar Urk kwamen om vijftig dienstplichtigen op te halen die na hun verlof op Urk waren gebleven.
De luchtdienst Schiphol – Urk werd onderhouden door verouderde toestellen van de KLM en was alleen actief als Urk van de buitenwereld was geïsoleerd. Het waren vaak oude Fokkervliegtuigen die voor dit soort vluchten werden ingezet. In de winters van 1938/1939 en 1939/1940 waren dit de typen Fokker F.VIIa (eenmotorig) en F.VIIIa (tweemotorig). Het eerstgenoemde type was circa vijftien jaar oud, het tweede type circa twaalf jaar. Met een kruissnelheid van net 200 km/h zorgden ze voor een veilige verbinding met Urk.
Dodelijk ongeluk en noodlanding
Bij één van de ijspostvluchten in 1938, toen Urk ook was afgesloten van de buitenwereld, was een ernstig ongeluk gebeurd. Er werd reikhalzend naar de komst van het vliegtuig uitgezien en daarom was er een grote menigte op de been. Bij de landing van het toestel, de Fokker F.VIIIa PH-OTO, raakte de staartsteun van het vliegtuig de 10-jarige Gerrit Snoek. Hij overleed binnen een uur. Burgemeester Keijzer, die in de buurt was, ontbood een dokter maar het mocht niet meer baten.
De KLM bood de dag erop haar excuses aan voor de dood van de jongen aan zijn ouders. Ze onderzochten hoe het ongeval kon gebeuren. Het resultaat hiervan is niet bekend. Wel werden er vanaf die tijd toestellen van het type Fokker F.VIIa (eenmotorig, kleiner) ingezet. Er werd gesuggereerd dat het ook te maken zou kunnen hebben met de onduidelijkheid van het landingsgebied. De rest van de vluchten in de winter van 1938/1939 werden uitgevoerd met kleine sporttoestellen van particulieren. Een van deze toestellen, een De Havilland DH.85 Moth PH-JUH, moest op Oudejaarsdag op Urk een noodlanding maken en werd daarbij beschadigd.
Auteur: Jan Grisnich
De Fokker is op Urk geland, de postzakken worden uitgeladen. De persoon met vliegbril op is de piloot, waarschijnlijk piloot Bax
De winter van 1939/1940 was bijzonder koud. Temperaturen van min 26 graden Celsius waren niet ongebruikelijk. Verbindingen met het vasteland waren er niet, alleen dan via de ijspostvluchten. Geen wonder dat bij de aankomst van een vliegtuig van de KLM een groot aantal mensen het vliegtuig stond op te wachten. Een landingszone waar een vliegtuig moest landen, werd afgezet met twee vlaggen. Tussen deze vlaggen moest het toestel landen en ook weer opstijgen.
De postboten in de winter van 1939/1940
De postboten die tussen Kampen – Urk en Enkhuizen – Urk voeren, moesten hun diensten rond 20 december 1939 staken, omdat door de ijsgang geen scheepvaart meer mogelijk was. De postboot tussen Kampen en Urk werd op de 23ste letterlijk gekraakt door het ijs en moest door twee sleepboten naar Kampen teruggehaald worden. Een passagiersboot, de stoomboot “Von Geusau”, kwam met 50 passagiers na een tocht van 15 uur pas aan vanaf Kampen op Urk. Rond het Nieuwjaar werd echter een vaargeul gemaakt, wat ervoor zorgde dat de verbindingen per schip voortgezet konden worden. Maar op 6 januari was het alweer over. Er werd besloten om voortaan alleen per KLM een verbinding met Urk te onderhouden.
Op 8 januari 1940 werd de eerste vlucht naar Urk gemaakt door de welbekende KLM-vlieger Parmentier. Tot 31 januari 1940 zouden nog 18 vluchten volgen. Ook naar Ameland en Schiermonnikoog werden vluchten uitgevoerd. De verbinding met Urk was vooral bedoeld voor het vervoer van post en passagiers. Voor levensmiddelen werd een beroep gedaan op verschillende dorpen in de omgeving. Zo werd bijvoorbeeld vanuit Kampen een aantal tochten ondernomen om de Urker bevolking te voorzien van vlees, brood en andere levensmiddelen.
12.000 kg post in 22 dagen…
In totaal werden in de maand januari 1940 19 ijsvluchten ondernomen. Tussen Urk en Schiphol werd bijna 12.000 kg post vervoerd en 58 passagiers. Tot 10 januari 1940 mochten volgens een artikel in het dagblad Het Vaderland geen passagiers vervoerd worden. Daarna mocht dat wel. Doordat de meest noodzakelijke goederen per auto of op een andere manier over het ijs kon worden aangevoerd, werden op 31 januari 1940 de vluchten naar Urk stopgezet. Men ondernam ook wel autotochten over het ijs voor het plezier. De eerste tocht over het ijs werd ondernomen op 17 januari. Op 29 januari werd een driedaagse dienst over het ijs gestart tussen Lemmer en Urk. Vooral levensmiddelen werden vervoerd, maar ook passagiers en andere artikelen. Na verloop van tijd begon het ijs te dooien en werd het gevaarlijk om over het ijs te bevoorraden. De bevoorrading en pleziertochten over het ijs werden stopgezet. Half februari konden schepen Urk weer bereiken en werd op die manier de bevoorrading voortgezet.
Alle foto’s bij dit artikel zijn afkomstig uit het archief van Stichting Urk in Oorlogstijd. Tenzij anders vermeld
Bronnen:
Links:
De (Urker) Bunker
Een oorlogservaring van Gerrit Pasterkamp, opgetekend n.a.v. 1 april grap 2012 van Stichting Urk in Oorlogstijd
Auteur: Gerrit Pasterkamp
De mensen die het bouwwerk niet gekend hebben, zullen er vast ingetrapt zijn, afgezien van het feit dat het een onhandig onderkomen zou worden zonder ramen. Het was uiteraard een schuilkelder, gebouwd voor de bewoners van de arken van ZZW, die langs de kade lagen. De schuilkelder was gebouwd van betonblokken die afkomstig waren van de zeewering van Schokland. Die deden toch geen dienst meer en waren zeer geschikt voor de schuilkelder. De muren waren aan de damkant ongeveer twee meter dik en aan de havenkant een meter. Aan beide zijden zat een dikke houten deur en het inwendige was eigenlijk een gang van twee meter breed die van deur tot deur liep.
In het laatste oorlogsjaar was ik een kind van een jaar of acht en was ik vaak op de haven te vinden bij bijvoorbeeld de “Waffenboten”. De bemanning had er dan lol in om de Urker kinderen op te stellen in het gelid: als zij “Heil Hitler” riepen, werd er snoep uitgedeeld. Tja, wisten wij veel. En snoep was een onbekend artikel in 1944.
Een keer was ik bij de vlettenhaven vlakbij de schuilkelder, toen er een luchtaanval plaatsvond op de Duitse schepen in de haven. Het waren een of twee jagers Engels of Amerikaans die een paar salvo’s losten. De Duitsers lieten zich ook horen met hun Flak. Ik stond met open mond dat spektakel aan te kijken, tot ik in m’n kraagje gegrepen werd door een grote vissershand en de schuilkelder werd ingesleurd. In de vlettenhaven lagen de kleinere scheepjes en de eigenaars maakten ook gebruik van de schuilkelder in die omstandigheden. Ik kreeg een klap om mijn kop met de woorden: “Je hadden wel dood kunen weezen.. van wie bin je er iene..?” In ieder geval was ik veilig. Het zijn oorlogservaringen die je nooit vergeet.
Jeugd herineringen van Gerrit Pasterkamp
Gerrit Pasterkamp schreef speciaal voor Stichting Urk in Oorlogstijd een aantal mijmeringen op vanuit zijn jeugd. Hij deelt met ons een aantal herinneringen aan de oorlog.
Auteur: Gerrit Pasterkamp
Gaarkeuken
Er is op Urk in de oorlog niet echt honger geweest. Er was genoeg te eten of te ruilen voor vis. Mijn vader voer in het laatste jaar van de oorlog met zijn zeilbotter UK 248 voor de “voedselvoorziening” van Friesland naar Amsterdam. Meestal was het een lading aardappelen, waar ze zelf ook hun part van namen. De lading stond in kisten gewoon aan dek. En als ze door de Oranjesluizen moesten, stonden hongerige Amsterdammers met een vork aan een lange stok klaar om aardappels te prikken. Mijn vader en zijn bemanning lieten dat maar gaan, op die manier was het ook ‘voedselvoorziening’. Ondanks het goede doel was het gevaarlijk om in die tijd over het IJsselmeer te varen.
Dus over het algemeen was er eten thuis, maar alles was schaars en op de bon. Zo kon het een paar keer gebeuren dat ik met een pannetje naar de “gaarkeuken” moest voor eten. Ik snap nu wel dat ik moest gaan als kind, want mijn moeder schaamde zich daar een beetje voor. De gaarkeuken was bedoeld voor de armen en oudere mensen zonder inkomen. Nu waren wij ‘arm’ omdat er niet gevist kon worden, en de botter gevorderd was voor de voedselvoorziening. Dus het was nodig om toch wat warms te eten. De keuken zelf was in een keukengebouw van ZZW en stond in het verlengde van de ‘Cantine’, die nog lang gestaan heeft aan wat nu het Klif is. Later was het een begin van de Visserijschool. Het eten werd uitgedeeld in het Wapen van Urk in het restaurant, wat heel toepasselijk was…. Ik zie me nog staan in de rij met een pannetje en ik herinner me nog dat ‘kakkenielten’ voor mij stond. (Neel Post, ze woonde met haar broer onder aan het hoogje van Nanning). Het waren echt arme mensen; ze had geen pan, maar stond met een onderkant van een peteroliestel op haar beurt te wachten. Dat vond ik toch wel apart en ik ben het daarom niet vergeten. Het eten was aardappelen in de schil gekookt en bieten, een stamppot dus, zonder vlees of jus uiteraard. Ik zie die vage roze kleur nog voor me van de kost. We hebben er lekker van gegeten!
Legende en waarheid
In geschiedschrijving bestaat het gevaar van legendevorming. De waarheid wordt anders, mooier naar voren gebracht dan de werkelijkheid. Terwijl de werkelijkheid vaak ‘menselijker’ is en echter overkomt. Als voorbeeld noem ik het feit dat de Urkers die gedwongen in Duitse dienst moesten op het kazerneplein en de Hitlergroet moesten brengen, “Drei liter” riepen… Dat is legende. De waarheid is dat het keurig “Heil Hitler” was met gestrekte hand. Ze keken wel uit om het anders te doen, de straffen waren niet mals. Uit die tijd kregen mijn maat Klaas J. Romkes en ik een verhaaltje binnen voor onze Urkerlandrubriek ‘Gien woord tevuul’ van de dochter van Sjoerd Snoek. Het verhaal is een legende, maar gaat wel zo de wereld in. Hoe het werkelijk was, schrijft ze er bij. Wat mij betreft, de waarheid is mooier, maar wij plaatsen zoals aangeleverd. Eerst de legende.
Paosgedachte Veraol eut overleevering (verhaal in het Urker dialect)
Mit de razzia in de oorlog binnen ur maer dan tachtig Urreker mannen in jonges weg-evoerd duur de Deusers, om in Deuse dienst te goon in zellufs om ze klaor te stoomen vor et Oostfront. ‘n Ziekere Urreker beloofde an een moeder van iene van de jonges: ik zal op em passen, as et an mij legt dan komt ie wier beouwen teus. Mar wat is et geval, een Deuser voelde um beleedegt duur disse jonge in zette ‘m tugen de muur om ‘m dood te skieten. Oenze plaosgenoot zegt tugen die jonge: vort jie ik eaw je mimme beloofd dat jie wier beouwen teus zouen koemen. IJ got in de plaos van die jonge stoon. De Deuser is ier zo van onger de indrok, dat ie van z,n goddelooze plan ofzicht. Disse man sting as iens Christus vor z’n vollek, borg vor z’n plaosgenoot.
Nu even het verhaal zoals het zich in werkelijkheid heeft afgespeeld. Ze zouden een militaire opleiding krijgen, wat in het oorlogsrecht verboden is. De bedoeling was dat ze tegen de Russen moesten vechten. Dit verhaal speelt zich af nadat de Russen dit gebied al hadden veroverd. Toen ze een tank op het plein zagen staan gingen ze eropaf, klommen erin en vonden algauw sigaretten. En er kwam zelfs een met een fles wodka boven water. Ze werden gewaarschuwd dat de Russen eraan kwamen en dus vlogen ze snel allemaal naar buiten, op een enkele na die het niet gehoord had. Johan dus. De Rus zag hem met de wodka, hij was op heterdaad betrapt. De Rus zette hem tegen een boom en zei: “op diefstal staat de doodstraf”. En inderdaad is toen de man die zich verantwoordelijk voelde, voor hem gaan staan, en vervolgens is de executie niet doorgegaan. De personen waar het hierom gaat zijn: Jawek Loosman en Johan Schraal. De Duitsers hadden de Urkers bang gemaakt voor de Russen, ze zeiden gauw je pakje uit en zie bij de Amerikanen te komen, anders worden jullie afgevoerd naar Siberië. Het is een wonder dat ze allemaal heelhuids thuisgekomen zijn. Tot zover Hilda Bakker- Snoek.
Van oorlog tot oorlog
Een ander punt dat ook in jullie straatje past maar waar nog weinig over gepubliceerd is, is de oorlog in Nederlands-Indië. Direct na de bevrijding zijn meer dan honderd Urker jongens vrijwillig of dienstplichtig naar Indië vertrokken. Ze kwamen toen ècht in de oorlog terecht. Het 12e jaargang van het Urker volksleven heeft er aandacht aan besteed, maar dat is het dan. Dus de oorlogstijd was voor Urk nog lang niet afgelopen, het lijkt me goed om zoveel mogelijk onderzoek te verrichten en mogelijk zijn er naast documenten ook geluids- en beeldmateriaal over deze periode te vinden. Sommigen zijn er meer dan vier jaar gebleven, niemand gesneuveld, wat ook weer een wonder mag heten. De oorlogstijd was voor Urk in 1945 niet afgelopen, maar heeft tot bijna 1950 geduurd. Neem als stichting hier goede nota van.
Gerrit Pasterkamp
Valerius in oorlogstijd
Van kokosvet en ‘Corps Kwartet’
Wat doe je als muziekvereniging wanneer je land door de vijand wordt bezet en deze vijand je verbiedt voor koningin en vaderland te spelen? De Urker brassband Valerius kreeg tijdens de oorlog met deze keuze te maken. Lub van den Berg, secretaris van Valerius, dook in de archieven van zijn vereniging en zocht uit hoe Valerius de oorlog doorkwam.
1939. Mobilisatie. De feestelijkheden rond de verjaardagen van de Koninklijke Familie werden afgelast. De Chr. muziekvereniging Valerius hoopte dat dit in 1940 anders zou worden. Het werd inderdaad anders, maar niet zoals zij ooit had durven denken.
Auteur: Lub van den Berg (2011)
Doordat feestdagen als Koninginnedag en verjaardagen van leden van het Koninklijk huis in de oorlog niet meer gevierd mochten worden van de Duitse bezetter, bleven er niet veel gelegenheden meer over waarbij gespeeld kon worden. Wel liep Valerius mee in de stoet bij de begrafenis van een geallieerde vliegenier.
Op tweede Pinksterdag 1941 gaf Valerius samen met de Zangvereniging Excelsior een concert in het kerkplantsoen van de Bethelkerk. Het concert werd geopend en gesloten met het zingen en spelen van een psalm. Het is opvallend dat Valerius tijdens dit concert allemaal nummers speelde met een Duitse titel zoals Lobpreising Gottes, Harre meine Seele, Abenddammering, Freit Euch des Heeren en Hin nach Zion. In augustus 1941 gaf de vereniging een concert op het pleintje in het Tuindorp. Dit werd, tot het einde van de oorlog, het laatste optreden in de open lucht.
De Oranjevereniging, waar Valerius nauw mee samenwerkte, werd op last van de overheid ontbonden. De eigendommen van deze vereniging, waaronder de door Valerius vaak gebruikte tribune, werden inbeslaggenomen. Een lang gekoesterde wens van Valerius ging echter in 1941 in vervulling. In een muzikantenblad werd door een muziekvereniging in Zwaag (NH) een muziektent aangeboden. De vereniging in Zwaag had daar geen ruimte meer voor. Valerius kocht de tent en verscheepte die in het najaar naar Urk waar hij zo lang bij secretaris Hendrik Hagedoorn in de timmerschuur werd opgeslagen. Het was de bedoeling om de muziektent in het voorjaar van 1942 te plaatsen.
Op maandagavond 22 december 1941 organiseerde Valerius, sinds 1939 onder leiding van dirigent Louwe Kramer, de jaarlijkse Kerstwijding in gebouw Patrimonium. Valerius begeleidde de samenzang en sprekers waren ds. Van Wieringen en ds. Zijlstra. Ook was daar het eerste optreden van het ‘ Corps Kwartet’ , een dameskoor welke was opgericht door de dirigent.
‘Rust roest’
Spannende dagen waren het tijdens de Duitse inval in mei 1940. Een aantal muzikanten van Valerius vervulden namelijk hun dienstplicht. Gelukkig keerden ze allen heelhuids terug. De repetities werden voor enkele weken onderbroken, maar uiteindelijk werd weer begonnen. Het bestuur was namelijk van mening dat voor de instrumenten ‘rust roest’ is. Koninginnedag, 31 augustus 1940, verliep als een rouwdag. Het corps stond paraat, maar er werd niet gespeeld.
Instrumenten op zolder
Op 8 mei 1942 was de laatste repetitie en werd besloten alle activiteiten te stoppen omdat het bestuur van Valerius weigerde lid te worden van de Duitse Kultuurkamer. Deze was door de bezetters ingesteld omdat iedere muziekvereniging ten dienste moest staan van de nationaalsocialistische ideologie. Elk orkest moest beschikken over een door de Duitsers goedgekeurd repertoire om in het openbaar op te mogen treden en moest een zogenaamde ‘stijlvergunning’ hebben. Hiermee werd het bijvoorbeeld onmogelijk Amerikaanse muziek uit te voeren. Geen lid worden van de Kultuurkamer en toch blijven blazen kon een geldboete opleveren van enkele duizenden guldens. Om het bestuur niet in moeilijkheden te brengen werd afgesproken dat 18 leden hun lidmaatschap zouden opzeggen zodat men genoodzaakt was te stoppen. De muziekinstrumenten werden verstopt op de zolder van de timmerschuur van Hagedoorn. In eerste instantie om te voorkomen dat ze door de Duitsers in beslag zouden worden genomen om zo de vereniging te dwingen lid van de Kultuurkamer te worden. Later in de oorlog werd zelfs bevolen dat alle muziekinstrumenten moesten worden ingeleverd omdat de Duitsers het koper nodig hadden voor oorlogsdoeleinden. De instrumenten van Valerius waren echter goed verstopt en ontsprongen de dans.
Het bestuur van Valerius probeerde ondertussen van alles om toch maar muziek te kunnen blijven maken. Zo probeerden ze zich als vereniging aan te sluiten bij de Hervormde Jeugdraad. Als ze daar onderdeel van uitmaakten konden ze wellicht uitvoeringen blijven geven. Doordat ze echter een contract met Buma hadden, het auteursrechten bureau, waren ze daardoor automatisch aan de Kultuurkamer verbonden. Er zat dus niets anders op dan het einde van de bezetting af te wachten. Het bestuur bleef wel regelmatig bij elkaar komen en voor de donateurs werd in december 1942 weer een Kerstwijding georganiseerd. Zonder muzikanten, maar mét zang door de dames van het ‘Corps kwartet’.
Kokosvet op de lippen
Toen de laatste Duitsers op 16 april 1945 Urk hadden verlaten werden op 20 april de leden door dirigent Louwe Kramer bij elkaar geroepen en werden de instrumenten weer tevoorschijn gehaald. Besloten werd om twee keer per week te gaan repeteren, één keer in de Bewaarschool en één keer in gebouw Samuël. Voor het eerst kwam Valerius in actie op 30 april 1945, de verjaardag van prinses Juliana. Ook speelde Valerius op 14 mei bij de terugkeer van burgemeester Keijzer uit gevangenschap. Op 1 en 5 juni werd een rondgang gemaakt met een afdeling Engelse soldaten.
Een muzikale ovatie werd gebracht aan teruggekeerde leden van Valerius die tijdens een razzia in november 1944 waren opgepakt en weggevoerd naar Duitsland waar zij te werk waren gesteld. Op zondag 10 juni werd gespeeld bij de begrafenis van een Amerikaanse piloot. Op 19 juni werd door de leden de muziektent geplaatst voor Hotel Woudenberg.
Verlaat bevrijdingsfeest:
Op 28 en 29 juni 1945 werden de officiële bevrijdingsfeesten gehouden. Het begon ’s morgens om zeven uur al met klaroengeschal van herauten te paard en dat ging zo de hele dag door. Koraalmuziek op diverse plaatsen in het dorp, zanghulde op het kerkplein, optocht, concert in de muziektent. In het programma stond ook het nummer Heen naar Sion, dit keer in het Nederlands…
Er waren nog geen uniformen, waardoor men besloot in witte bakkers-, slagers- en kappersjassen aan te treden. Ook Frits Bode, de latere dirigent, was daarbij in zijn eigen bakkersjas aanwezig. Men smeerde de lippen met kokosvet want die hadden danig te lijden onder het blaasgeweld. De kelen smeerde men met iets anders. In het programmaboekje stond:
De muziek komt uit de doppen
Na zo’n lange duikerij,
En we dansen op hun pijpen,
Allen zijn we vrij en blij.
Kramer heeft een hele tors!
Jongens! Blaast er flink op los!
En… luisteraars, blijft rustig staan!
Dan zal het eerst voortref’lijk gaan.
De eerste dag werd afgesloten met een optocht naar het Top waar een vreugdevuur op de Pyramide werd ontstoken. Ook hier hoorde in het programmaboekje een rijmpje van T. de Vries bij:
Bevrijdingsrijmpje:
Als de vreugdevlammen doven,
Wordt de thuismars een succes:
Alle paartjes moeten mede,
Niemand mag er “in het gres”!
Op de maat der saxofoon
Vegen we ’t hele Top weer schoon!
Naast de muzikanten lopen
Is verboden op dit feest;
Anders kunnen zij niet spelen!
Neem ’t ter harte, gij die dit leest.
Heel de vreugdevolle schaar
Blijft er achter op op ’t trottoir.
Ook de tweede dag waren er muzikale rondgangen en optocht met aan het eind van de dag een vuurwerk op de Oosthaven.
