Persoonlijke verhalen of gebeurtenissen

Op deze pagina plaatsen wij verschillende verhalen of gebeurtenissen die te maken hebben met de tweede wereldoorlog of andere militaire geschiedenissen.

Tromp Loosman - Een brief uit Scheveningen I

Door een artikel in de Haagsche Courant kwam de heer Tromp Loosman in contact met stichting Urk in Oorlogstijd. Lees zijn persoonlijke verhaal over de oorlog.

Auteur: Tromp Loosman (2010)

Scheveningen, 5 mei 2010

Aan: Stichting Urk in Oorlogstijd & lezers.

5 mei. Bevrijdingsdag. Een dag waarop bij velen die, zoals wij, de bange oorlogsjaren bewust hebben meegemaakt (mijn vrouw en ik naderen wat leeftijd betreft de 88 jaar) nogal eens gebeurtenissen uit die tijd naar boven komen. Hiervan wordt dan wel eens op verzoek het een en ander verhaald. Het zijn verhalen die, zoals mijn vrouw terecht beweert, bij het uitsterven van onze generatie voorgoed verloren zullen gaan. Om dat te voorkomen heeft zij er bij mij op aangedrongen iets op papier te zetten. Bijvoorbeeld over mijn ervaringen met de razzia’s die door Duitse soldaten werden uitgevoerd om mannen en jongens te arresteren en op transport naar Duitsland te zetten, waar ze moesten werken in de oorlogsindustrie. Voor deze aandrang van mijn vrouw ben ik gezwicht. Ik meen er echter goed aan te doen mij eerst bekend te maken.

Ik ben Tromp Loosman, oudste zoon van Pieter Loosman (Pieter van Trien de Schokker), bij de ouderen waarschijnlijk nog wel bekend onder de naam Pieter van ’t Jeugd en van Berendina Korf (ook wel Dient van Marrie van Tromp). Mijn vrouw, met wie ik al bijna 64 jaar ben getrouwd is Maria Lammertina Hoftijzer, dochter van een Hellevoetsluizer vader en een Urker moeder, te weten Eltje Post. Door het vroege overlijden van haar vader heeft mijn vrouw het grootste deel van haar jeugd op Urk doorgebracht. Eerst bij haar grootouders Jacob Post, bijgenaamd Jaauwk van Pernis, en diens vrouw en na hun overlijden bij haar ooms Riekelt en Meindert Post en de bij hen inwonende vriend Cornelis Brands. Haar oom Riekelt is bij de ouderen nog wel bekend als Riekelt van Pernis met zijn striept boatjen.

Mijn belevenissen

De razzia’s die op Urk werden uitgevoerd waren bij ons, op één na, ruim van tevoren bekend. Hoe dat kon zal wel een geheim blijven. Militairen moesten, omdat er toen nog geen landverbindingen waren, ons bereiken per schip. Dat gaf ons de gelegenheid, achter de vuurtoren staande, rustig hun komst af te wachten en daarna tijdig onze onderduikplaats op te zoeken.

Maar één keer ging het mis. Op een mooie zondagmorgen (een datum weet ik niet meer) werd vrij vroeg in de ochtend door een buurman bij ons op het raam getikt. Mijn vader kreeg te horen dat Urk vol soldaten liep en dat hij moest zorgen dat zijn jongens in hun schuilplaats kwamen. Later werd hem nog bericht dat er 750 man bij betrokken was van de groene politie (militaire politie dus) en leden van de SS. Voor de juistheid van dit getal kan ik niet instaan.

 

Nu wilde het geval dat mijn onderduikadres was in het huis van mijn ome Jelle en mijn tante Harp in de zogenoemde onderbuurt. Maar om dat te bereiken moest ik een vrij grote afstand overbruggen. Om nu een juist begrip te krijgen van de situatie moet ik vermelden dat wij woonden in Wijk 4-91, een woning die nog steeds in ons bezit is. Ik had echter geen keus, want thuis was geen enkele gelegenheid om te schuilen. Ik rende dus op de klompen zo snel als ik kon naar het huis van mijn oom en tante. Maar daar aangekomen kwamen er van twee kanten soldaten op mij af. Dus rende ik zo snel mogelijk terug, eigenlijk niet wetende waar naartoe. In een van de zijstraten, waar op dat ogenblik geen soldaten te zien waren, sprong ik op goed geluk over een hekje en voelde gebukt aan een buitendeur. Die was gelukkig open zoals dat toen nog kon. Ik was terecht gekomen in het huis van Age Ras, anders gezegd Age van Hiltjen.

En omdat het nog vrij vroeg in de ochtend was, lag deze nog rustig met zijn vrouw in de bedstee. Toen ik hem wakker gemaakt had, was hij nogal verward. Hij gaf mij spontaan toestemming die gans maar te pakken, in zijn nog half slapende geest menende dat ik op ganzenjacht was. Maar toen hij goed wakker was en besefte waar het om ging, was hij direct een en al actie. Hij sloot de deur en ging, na zich gekleed te hebben, op verkenning uit. Niet veel later kwam hij terug met de mededeling dat ieder huis doorzocht zou worden, wat ook gebeurd is.

Met deze wetenschap gewapend was het dus voor mij zaak in het huis van mijn gastheer te zoeken naar een geschikte schuilplaats. Maar dat zoeken leverde beneden althans niets geschiktst op. Dus dan maar naar boven om op de zolder te kijken. Maar ook daar was geen plaats waar ik mij goed kon verbergen. De zolder, waarop alleen een slaapkamer was, was verder helemaal leeg. Ook het zoldertje van de slaapkamer was leeg. Wel had de slaapkamer rechte wanden onder een schuin dak. Dat betekende dat er tussen kamerwand en dakbeschot aan weerszijden een ruimte was maar die waren volkomen open. Maar om toch enige bescherming te vinden moest ik van één van deze ruimten gebruik maken, beseffende dat het eigenlijk zinloos was.

Ik had echter geen andere keus. Toen er dan ook aan de buitendeur gerammeld werd, besloot ik maar weg te kruipen in die ruimte waar het zolderluik naar toe opensloeg. Ik zat er dan ook net of mijn gastheer kwam naar boven met een soldaat. Op de zolder was duidelijk niets voor hem te zoeken, dus klom hij, zoals Age mij later vertelde, en ik ook wel meende te horen, op een stoel om op het zoldertje van de slaapkamer te kijken. Toen hij ook daar niets vond, scheen hij met zijn zaklantaarn in de open ruimte naast de slaapkamer, de ruimte waar ik niet zat. En toen gebeurde er iets dat mij de schrik om het hart deed slaan. Om te voorkomen dat hij ook naar mijn schuilplaats zou gaan, wees Age, heel brutaal en naar hij later zei om de soldaat van zijn stuk te brengen, naar de ruimte waar ik zat.

Maar gelukkig voor mij ging hij daar niet op in. Hij had er blijkbaar genoeg van. Zo ben ik dan, met grote dank aan mijn hemelse Vader en ook veel dank aan mijn gastheer en zijn vrouw, die mij liefdevol behulpzaam zijn geweest, bij die razzia de dans ontsprongen.

Bij ons thuis liep het evenwel iets anders. Ons huis werd namelijk niet doorzocht. Dat kwam zo.

Voor ons huis stond een soldaat als een soort vaste post. En met deze soldaat maakte mijn vader een praatje, zo goed en zo kwaad als het ging tenminste. Nu was het meer een verwijt dan een praatje, want mijn vader trachtte hem namelijk op een of andere manier duidelijk te maken dat hij het heel erg vond dat voor zaken zoals deze razzia de zondag, de Dag des Heren, misbruikt werd.

En de soldaat scheen het te begrijpen, want hij gaf aan dat hij het ook niet goed vond. Voorts vertelde hij dat hij een Oostenrijker was en ook dat hij al twee broers aan het oostfront verloren had. En dit gesprek nu had ook nog een ander effect. Want toen de soldaten kwamen om ons huis te doorzoeken wees hij ze door naar andere adressen. Daarna keerde hij zich om en knikte vriendelijk naar mijn vader.

Mijn broer Hendrik was thuis gebleven omdat hij meende gevrijwaard te zijn van deportatie omdat hij een Ausweis had. Hij was namelijk als palingroker werkzaam bij vishandelaar Douwe Gnodde, dus was hij nuttig voor de voedselvoorziening. Voor deze beroepen kreeg je een dergelijke verklaring die ik overigens toen niet bezat.

De oogst bij deze beschreven razzia was niet al te groot. Ze hebben één Urker kunnen pakken. Iemand met de bijnaam ‘de loering’ (leeuwerik). Dit overigens nare feit bracht Klaas Koffeman (Kloas de Skilder) ertoe om in zijn wekelijks verschijnende krant De Oprechte Urker bij zijn berichtgeving over het Duitse bezoek nogal verwijtend te melden dat ze ook nog onze enige leeuwerik hadden meegenomen.

Schuilplaats onder de Kesse

Nu had de hiervoor beschreven gebeurtenis ons wel duidelijk gemaakt dat wij in eigen huis moesten zoeken naar een geschikte schuilplaats. Daarbij kwam ons de kennis van vader en moeder te hulp. Zij wisten namelijk dat, toen zij in 1929 ons huis in Wijk 4-91 door Riekelt de timmerman lieten bouwen voor 1500 gulden, er van het huis dat daar tevoren had gestaan, de regenwaterbak in de grond was blijven zitten. Zij wisten ook nog precies waar deze zat, namelijk onder de straat of anders gezegd onger et ogien met de mond net binnen de muur van ons huis en nog wel in het midden van de muur onder de linnenkast, de kesse.

Wij hebben toen de kesse verschoven en de boel opengemaakt. Daar troffen wij een bak aan vol puin. Wij hebben er in ieder geval 39 teilen vol van dat spul uitgehaald en daarna bleef er een met geglazuurde tegeltjes bepleisterde ruimte over waarin ik mij, gezeten op een bankje, wel aardig veilig kon voelen terwijl de burgers en ook de soldaten over mij heen liepen. Daarna hebben wij de vloer uiteraard weer dichtgemaakt, maar wel een behoorlijke ruimte open gelaten om mij in geval van nood van voedsel te kunnen voorzien. Mijn vader bond dan twee borden op elkaar en schoof mij zo mijn eten toe, onder de kesse door. Door de kesse was de opening niet zichtbaar.

Om deze schuilplaats te bereiken hadden wij in de hoek van de kamer waar mijn vader zat in de vloer een luikje gemaakt dat afgedekt was met vloerzeil. Door dat luikje kwam ik onder de vloer en kon dan kruipend tussen vloer en aarde mijn schuilplaats bereiken. Wat een mens al niet heeft moeten doen om zich te beveiligen en dat op ons eigen Urk.

Bij de herbestrating van de wegen heeft men de bak gevonden en kapot geslagen.

Tewerkgesteld aan de IJssellinie

Toen het de Duitsers duidelijk werd dat er met razzia’s op Urk niets viel te bereiken, pasten ze een andere methode toe. Hiermee hadden ze meer succes.

Op zekere dag kwam er een groep soldaten op Urk. De officieren die de leiding hadden, hadden hun intrek genomen bij Klaas de Boer, oliehandelaar. Van daaruit lieten zij bekendmaken dat alle mannen en jongens van 18 tot 45 jaar zich moesten melden in de school bij de vuurtoren. Tevens werd bekendgemaakt dat van degene die niet vrijwillig verscheen het huis in brand zou worden gestoken. En dat was een uitgekookte zet. Want toen kwam de buurt in actie. Er werd toen behoorlijk druk uitgeoefend. Want als jij niet gaat en jullie huis wordt in brand gestoken dan brandt, gelet op de dichte bebouwing, de hele buurt af. Nu was ik, hoewel de Duitsers er blijk van hadden gegeven tot alles in staat te zijn, jeugdig als ik was, niet zo erg onder de indruk van het dreigement. En omdat er altijd nog sprake was van vrijwillig melden, meende ik er goed aan te doen eens poolshoogte te gaan nemen.

Maar dat liep anders dan ik had gedacht. Want ik had de deur nog niet achter mij dichtgedaan of er liep al een militair achter me met een pistool in mijn rug. Deze bracht mij naar het grasveld voor de school waar hij mij presenteerde aan een officier die mij, zoals onder die lui gebruikelijk was, ontving met luid gillen en schreeuwen waar ik overigens geen woord van verstond. Mijn Ausweis (dat ik toen wel had) werd voor mijn ogen verscheurd. Ik kreeg in ieder geval de indruk dat ik werd beschouwd als een levensgevaarlijk mens, want ik werd na veel onderling geklets onder de hoede van vier met geweren bewapende soldaten naar het gymnastieklokaal gebracht. Na lange tijd daar te hebben vertoefd, werd ik eindelijk naar boven gedirigeerd waar ik mij mocht voegen bij mijn andere lotgenoten.

Het thuisfront had intussen niet stilgezeten. Mijn ome Jacob Korf, schipper/ eigenaar van de UK 163, was met een opgestoken kam naar het huis van Klaas de Boer gegaan en was daar nogal tekeer gegaan tegen de Duitse commandant. Hij verweet de Duitser dat hij hem brodeloos maakte door hem van zijn knecht aan boord te beroven. Hij was, zoals hij stelde, palingvisser, dus werkzaam in de voedselvoorziening en daarbij was ik aan boord onmisbaar. En dat had resultaat, want hij kwam met een vrijgeleide in zijn hand de school binnen en rukte mij, woedend over zoveel inbreuk op onze vrijheid, mee naar buiten. Zo liep het ook deze keer, voor mij althans, goed af.

Ontkomen dankzij de voedselvoorziening

En nu mijn laatste ervaring.

Wij hadden op Urk inmiddels een NSB-burgemeester gekregen, een zekere Landman, bakker uit Kampen. Deze liet op zekere dag op last van het Duitse opperbevel bekendmaken dat wij ons op het raadhuis moesten melden, maar wel weer met het dreigement van het in brand steken van huizen. Daar werden wij geregistreerd en hoorden we dat we te werk zouden worden gesteld aan de IJssellinie. Dit was wel onder voorwaarde dat wij elke zaterdag en zondag thuis zouden zijn. En dat is ook gebeurd. De weg naar Duitsland was toen overigens al afgesloten. Wij werden in Zwolle ondergebracht in een school aan de Veerallee. Aan de zogenaamde linie werden we beziggehouden met het op boerenerven maken van mitrailleurstellingen, onder de hoede van een bejaarde soldaat die de hele oorlog duidelijk meer dan zat was. Verder waren en onder ons een paar van die echte dorpstypen die ’s avonds de boel aardig wisten te vermaken.

Merkwaardig was dat alleen de Urkers door een fout tweemaal per dag een half brood kregen. Dat stelde ons in de gelegenheid het brood dat wij over hadden te geven aan de voedselhalers uit het westen. Zij reisden broodmager en soms met open voeten, met oude kinderwagen en fietsen zonder banden, de noordelijke provincies af om eten voor hun hongerlijdende families in het westen.

Het gebeurde dan nogal eens en ik heb dit zelf eens gezien, dat als ze met wat etenswaren de Katerveerbrug passeerden, het beetje eten dat ze verzameld hadden door Landwachters (Nederlanders die zich in Duitse dienst hadden gemeld) werd afgepakt en ergens op de brug op een hoop werd gegooid. Triest, onmenselijk en om misselijk van te worden.

Toch heb ik ook nog iets bijzonders meegemaakt. Met mijn bagage op mijn rug was ik ’s vrijdags of ’s zaterdags op de klompen met anderen op weg naar Kampen voor de reis naar Urk.

Op een bepaald moment zag ik drie meisjes een boerenerf oplopen, een beeld dat je overigens veelvuldig zag. Maar in dit geval dacht ik één van de meisjes te herkennen. Ik heb dan ook gewacht tot ze het erf afkwamen en toen bleek het Sophie te zijn, de zuster van mijn vrouw. Zij kwam uit Schiedam en was op voedseltocht voor haar familie. Het was een leuke ontmoeting, maar onder ellendige omstandigheden. Zij wilde graag mee naar haar zuster op Urk en ik had haar graag meegenomen, maar het kon niet. De regio was afgezet en niemand kwam er door zonder pasje, dat wij wel in ons bezit hadden. Deze situatie heeft zo ongeveer twee of drie weken geduurd. Toen was het einde daar.

Dit is een weergave van mijn belevenissen tijdens de razzia’s.

Tromp Loosman

Tromp Loosman - Een brief uit Scheveningen II

In navolging van de eerste brief kreeg stichting Urk in Oorlogstijd een tweede brief. Dit keer beschrijft Tromp Loosman zijn ervaringen over het bewaken van politieke delinquenten, veelal NSB’ers.

Auteur: Tromp Loosman (2011)

Scheveningen,  7 februari  2011.

Wat ik hier geschreven heb, zijn herinneringen die zo omstreeks 65 jaar opgesloten hebben gelegen in een brein dat zo langzamerhand naar de 89 jaar reikt, maar die nu onder een zekere druk naar boven zijn komen borrelen. En daardoor zal het wel duidelijk zijn dat de scherpte er wel wat is afgesleten, waardoor er aan de volgorde van de gebeurtenissen mogelijk wel iets schort.

Maar daar zal denk ik niemand mij nog over lastig vallen, omdat van de toen in ons bataljon dienende Urkers en dat waren er nogal wat, naar ik meen, ik de enige ben die nog in leven is.

Tromp Loosman.

Bewaking politieke delinquenten en militaire dienst

Ik heb gemeend er goed aan te doen nog iets te schrijven over hetgeen direct na de oorlog gebeurde, maar dat overigens wel een gevolg van die oorlog was. Ik bedoel de internering van mensen die in de oorlog de kant van de Duitsers (dus de kant van de vijand) gekozen hadden.

Deze mensen uit Urk en omgeving werden gearresteerd toen de oorlog voorbij was. Zij werden ondergebracht in het barakkenkamp Espelerbocht. Waar dat kamp precies was gesitueerd, weet ik niet meer. Wel aan het kanaal, want wij – die belast waren met de bewaking, voor zover ik het nog weet uitsluitend Urkers – werden er naartoe gebracht met een boot. Ook was het dicht in de buurt van wat wij toen kenden als dorp A, een plaats waarop naar ik meen later Emmeloord is verrezen. Oriëntatie was toen moeilijk omdat er alleen wat barakken stonden, omgeven door manshoog riet en verder moeras.

Om een voorbeeld te geven over de situatie onder de bij ons geïnterneerden: er was ook een zekere heer Landman aanwezig: een banketbakker uit Kampen. Hij was door de Duitsers aangesteld als burgemeester voor Urk. En met deze man werden nogal eens geintjes uitgehaald. Vooral door de mede-geïnterneerden. En dan met name door de op Urk zeer bekende Klaas Post, de Klauze, die zich nog al eens meester maakte van de hoed van Landman en zich dan, een ietwat stotterend, als  burgemeester presenteerde.

Kampcommandant Dokter

Als commandant van het kamp was ene heer Dokter aangesteld. Dit was een nogal streng heerschap vooral voor de geïnterneerden.

Nu was het daar soms een wat wonderlijke situatie. Want het gebeurde –  en zelfs vrij regelmatig – dat je als bewaker met een groep van zo’n tien geïnterneerden werd weggestuurd langs paadjes door het riet naar het dorp, waar zij dan aardappelen moesten pitten of andersoortig werk doen.

Als bewaker van zo’n groep kreeg je dan een Amerikaans geweer op je rug waar je, ik althans, met de beste wil van de wereld geen schot uit had kunnen krijgen.  En daaraan had  het zeer luid nageschreeuwde bevel van de heer Dokter om direct te schieten als iemand zou proberen te ontsnappen niets kunnen veranderen.

Daar gold dus het spreekwoord dat een dooie kat de schrik is voor de muis. Ik, en volgens mij meerderen onder ons, had nooit wapeninstructie gehad. Overigens  vermoed ik dat niemand het in zijn hoofd zou hebben gehaald om ook maar een poging tot ontsnappen te doen. Want waar moest men heen in die rimboe? Ik wil hier nog bij vermelden dat wij, als bewakers, een blauwe overall kregen uitgereikt als een soort uniform. Daarbij moesten wij om de linkerbovenarm  een witte band dragen met daarop de letters BS die stonden voor Binnenlandse Strijdkrachten.

Dorp A als tijdelijk interneringskamp

Verder stond er in de buurt van dorp A nog een barakkenkamp waarin volgens mij academici waren ondergebracht. In ieder geval moesten mensen van ons daar om toerbeurt naar toe als bewaking. Waar dat kamp gesitueerd was, weet ik niet. Ik ben daar in ieder geval nooit geweest.

Deze kampen waren overigens bestemd voor mensen die in de polder werkten, maar tijdelijk als interneringsplaatsen ter beschikking waren gesteld. Toen de geïnterneerden tenslotte onder de hoede van justitie waren gekomen, was onze taak ten einde gekomen.

Wij werden dan ook overgeplaatst naar Steenwijk en ondergebracht in de Van Kornput kazerne aldaar.  En omdat Nederland nog geen eigen leger had, werden wij met vele anderen ingedeeld in het Engelse leger als het eerste bataljon van  het tiende regiment lichte infanterie.  Onze officieren waren wel Nederlanders, maar met toevoeging van Engelse. Onze bataljonscommandant was ene majoor Fleer, onze compagniescommandant was de eerste luitenant  Ganzevoort met als assistent de tweede luitenant Nobel en onze pelotons- commandant was een ingenieur, vaandrig Zielschot. Na dat wij eenmaal geïnstalleerd waren in de kazerne wachtte ons een aangename verrassing, en wel op het gebied van de voeding.

Wij hebben op Urk tijdens de oorlog geen honger geleden, maar schraalhans was er wel keukenmeester en een vaak zeer strenge. In Espelerbocht was het wel wat beter, maar ook weer niet om er de loftrompet over te steken. En toen de Van Kornputkazerne. Daar kregen wij brood zo wit als er alleen in onze fantasie nog bestond. En vlees, boter en beleg – zoveel als we konden verwerken. Aanvankelijk kwam het ons voor als een sprookje, maar alles went. Ook dit. Onze voeding kwam uit de Engelse voorraden uit Assen, maar werd door Hollandse koks bereiden dus op Hollandse wijze. Voor deze wijze van bereiden kon de toegevoegde Engelse majoor echter geen begrip opbrengen. Hij was van mening dat als wij eenmaal voeding op Engelse wijze bereid hadden geproefd en dat dus volgens hem veel lekkerder was, wij beslist niets anders meer wilden. 

En omdat wij, zoals beschreven, Engelse militairen waren, kon hij zijn wil doordrukken. En dus gebeurde het. Maar dat geintje heeft maar drie dagen geduurd.  Want dat Engelse eten beviel ons zo slecht met al die liflafjes, dat er een staking dreigde. Het werd dan ook ongedaan gemaakt. Nu schreef ik over een dreigende staking. Maar wij hebben ook iets meegemaakt dat veel ernstiger was, namelijk een vorm van muiterij. En dit is geen fabel.

Delinquenten in Harderwijk en Steenwijk

Het volgende gebeurde: In Harderwijk was ook een kamp met politieke delinquenten. En nu was er bij ons bericht binnen gekomen dat in dat kamp bewaking en geïnterneerden samen aan het feesten waren geslagen. En dat bericht deed bij ons de vlam in de pan slaan, wat ook wel begrijpelijk was. Want jongens die net een oorlog achter de rug hadden met alle ellende van dien, moesten nu horen dat nog wel bewakers feest vierden met geïnterneerden. Hen met hen dus die geheuld hadden met onze vijanden, de veroorzakers dus van die ellende en die  zoveel bloed vergoten hadden van goede Nederlandse vrouwen en mannen.

De gemoederen liepen op tot het kookpunt. Gezag was er niet meer, de officieren waren  radeloos. Brenguncarriers  en  auto’s werden voorgereden,  munitievoorraden geplunderd en het bataljon zou, zwaar bewapend, naar Harderwijk gaan om, dit om zoals in alle duidelijkheid werd gezegd daar de boel overhoop te schieten en dus een bloedbad aan te richten. Want met minder nam men na zo’n wandaad geen genoegen. Majoor Fleer, de bataljonscommandant, was de wanhoop nabij. Het was ook buitengewoon zielig. De man zag een dreiging op zich afkomen waar hij machteloos tegenover stond en waarvoor hij mogelijk later verantwoordelijk zou worden gehouden.

Gelukkig is het niet zover gekomen. De soldaten die de leiding hadden genomen lieten zich uiteindelijk toch bepraten om eerst nog contact op  te nemen met Harderwijk om te vernemen hoe de toestand daar nu was.  Dit contact mocht majoor Fleer echter niet opnemen, want een officier werd toen niet meer vertrouwd. Dat deden de soldaten zelf. En toen bleek dat er weliswaar een dergelijk feest was geweest, maar dat het in Harderwijk gelegerde garnizoen er al een eind aan had gemaakt. Deze afloop was een dankzegging waard. Gevolgen heeft deze vorm van muiterij niet gehad, althans niet voor zover ik weet.

Soldaten van het Engelse leger

Nu zult u zich vast afvragen of er na de hiervoor omschreven narigheid ook nog iets leuks te melden is uit Steenwijk. Zeker wel. Want eigenlijk had ik na het goede over de voeding door moeten gaan met het overige leuke dat we daar hebben meegemaakt. Maar het zij zo. En laat ik dan verder gaan met onze uniformering.

Bij onze aankomst in Steenwijk waren wij nog gekleed in onze in Espelerbocht gekregen overall. Maar als soldaten van het Engelse leger moesten wij uiteraard in soldatenuniform gehesen worden. En dat gebeurde dan ook.  Ieder kreeg een bij hem passend uniform op een na. Voor onze Hendrik Weerstand, bij ons beter bekend als de beer van Trijn van Lijda was, gelet op zijn robuuste figuur, geen passend uniform beschikbaar. Nu was Hendrik daar niet bepaald rouwig om, want het betekende wel dat hij aan bepaalde oefeningen als enige gekleed in overall niet kon deelnemen. En dat verschafte hem een zekere mate van vrijheid  waar hij op uitstekende wijze gebruik van wist te maken.

Hij bezocht dan de boeren in de omgeving waar hij tot op zekere hoogte bevriend mee raakte. En dat leidde eens tot een bijzonder grappig voorval. Want op een bepaalde dag werd er bekend gemaakt dat er een mars door Kampen zou worden gelopen ten bate van de T.B.C.-bestrijding. Deelneming aan deze mars vereiste een inleg van fl. 2,50 per persoon. En daar was ook bij ons wel belangstelling voor. Met een vrij grote groep waaronder ook Hendrik in overall, zouden wij daaraan  deelnemen.

De bedoeling was dat wij op die bewuste dag direct na het ochtendappèl in de auto’s zouden stappen en wegrijden. En toen wij ons gereed maakten voor het appèl kwam  Hendrik, van wie wij wisten dat hij altijd te porren was voor een geintje, met een bij een boer gekochte geit aan een touw naar het appèl. En dat deed bij een ieder, dus ook bij de officieren, een beroep op de lachlust. Want bij ieder luid geschreeuwde commando begon het nerveus geworden dier te mekkeren en kroop weg tussen de benen van Hendrik. Maar wij, de Urkers, die overigens op de hoogte waren van de koop, kenden zijn bedoeling. De geit moest naar Urk.

En zo geschiedde. Want toen wij langs de IJsselkade marcheerden waar de Urker boot de Jhr. von Geusau voor de kant lag, zat Hendrik in de salon met de geit op zijn schoot ons vriendelijk na te wuiven. Enkele dagen later meldde hij zich weer present in het bataljon waar hij uiteraard wel op rapport moest komen om zich te verantwoorden voor zijn afwezigheid zonder toestemming. Zijn excuus dat hij zijn geit naar Urk moest brengen werd vanzelfsprekend niet als geldig aanvaard. Ik weet echter dat het voor hem met een sisser afliep. Wij kregen dan ook de indruk dat ze met hem, zonder uniform, enigszins in de maag zaten. Later heeft men toch een uniform voor hem kunnen regelen.

Overigens werd de krijgstucht bij ons, die net een oorlog achter de rug hadden, niet zo streng toegepast als onder normale omstandigheden.

Grappen en grollen

Zo is er nog een voorval te vermelden waar Hendrik ook bij betrokken was. Toen wij de militaire opleiding achter de rug hadden, moest deze op de een of andere manier begraven worden. En bij dat ceremonieel leende onze Hendrik zich er voor om zich op te laten schil- deren. En omdat wij (Hendrik, ik en nog een groep Urkers) behoorden tot het specialisten-peloton, hadden wij in ons midden ook een schilder: een zekere soldaat Pit uit Giethoorn. Deze zou met verf van Hendrik een kunststuk maken. Toen dat klaar was en ieder zijn goedkeuring voor het resultaat had gegeven, gingen we in feestelijke optocht langs de kamers waarbij de stoet steeds groter en ook rumoeriger werd. Tot plotseling het signaal kwam: “appèl voor de bedden“. Nu was dat voor ons gemakkelijk uitvoerbaar, maar hoe moest Hendrik dit versieren. Maar geen nood. Hij kroop geverfd tussen de dekens. En toen zijn naam geroepen werd gaf iemand ten antwoord: ”slaapt al”. En daar nam de officier van piket genoegen mee. Zo liep ook dit weer goed af en kon Pit zijn werk doen om Hendrik zijn  normale gedaante te hergeven.

Wel zult u zich afvragen of nu alle vermaak zich afspeelde rond Hendrik. Nu dat was ook eigenlijk zo, althans in ons peloton. Hij zat altijd vol grappen en grollen. Op wat er zich buiten onze groep afspeelde hadden wij overigens ook weinig of geen zicht. Behalve dan dat zich in de kamer naast ons een soldaat bevond die in het burgerleven marktkoopman in Amsterdam was. En deze demonstreerde nog wel eens zijn niet geringe koopmanskwaliteiten door, al staande op een tafel, bijvoorbeeld een geweer te verkopen. En dat was buitengewoon amusant.

Maar er is ook nog iets te melden waar Hendrik slechts mede bij betrokken was. Er kwam namelijk eens een voor ons niet bepaald opwekkend bericht binnen dat er de volgende dag een Engelse brigade-generaal op bezoek zou komen. Want dat betekende dat wij vanaf vroeg in de morgen heel lang met uiteindelijk doorgezakte knieën op die knakker zouden moest wachten. En zo gebeurde het dus ook. Maar toen overkwam ons iets dat de ellende nog completer maakte. Want toen de tijd waarop de man verwacht werd al ruimschoots  overschreden was,  kwam het bericht dat het bezoek was uitgesteld tot de volgende dag. Over het enthousiasme dat dit bericht in het bataljon teweeg bracht laat ik graag het oordeel aan u zelf over. Maar u kunt van mij wel aannemen dat het bepaald niet laaiend was.

In ieder geval kwam er de volgende ochtend voor ons een herhaling van zetten. En toen kwam de ziel gelukkig wel.  Want een herhaling was voor ons echt niet meer aanvaardbaar geweest.  En wat er toen gebeurde deed bij ons de vraag rijzen wat de zin van zo’n bezoek nu eigenlijk was. Want toen het bataljon aan hem gepresenteerd was liep hij, duidelijk met een kennersblik, rechtstreeks naar ons peloton, stak zijn vinger bij mij tussen mijn hoofd en helmen sprak de gevleugelde woorden: “Too big” oftewel “te groot”.  Nu was dit als feit bij mij al heel lang bekend omdat er ondanks veel passen en meten voor mij geen passende helm beschikbaar was. Vervolgens moest er een peloton voor hem marcheren. En daarbij maakte hij de slechts denkbare keuze. Hij wees namelijk ons aan, het zo genoemde specialisten-peloton dat juist in dat soort militaire oefeningen heel weinig ervaring had, omdat wij doorgaans  meer onledig werden gehouden met het verrichten van allerlei karweitjes in de kazerne.

In ieder geval moest zijn opdracht doorgaan. En zoals verwacht, werd dit nu niet bepaald een succes. Dit vooral tot groot ongenoegen van onze pelotonscommandant vaandrig Zielschot die blijkbaar meende dat zijn eer er mee gemoeid was. En dat bleek ook wel. Want terwijl het gehele bataljon op ons peloton na al was ingerukt, verkoos Zielschot het om ons nog wat te laten exerceren op het kazerneplein. En dat lukte tot tweemaal toe en toen was het over.

Want toen wij halt hielden stapte Appien van Oale van Jate uit het gelid en zei: “Zielschot je bekijkt het maar, ik ga naar boven”en terstond volgde hem het gehele peloton, Zielschot in zijn eentje achterlatend. En hoe gek het ook was, ook dit had geen disciplinaire gevolgen. Blijkbaar heeft Zielschot, die de situatie in ons peloton uiteraard kende, ingezien dat hij teveel van ons gevergd had na zo’n toch vermoeiende ochtend.

Scheveningen

Na een poosje zijn wij weer verhuisd naar de Alexanderkazerne aan de Van Alkemadelaan in Den Haag, waar wij gelegerd werden in de bij die kazerne behorende intendancegebouwen aan de Waalsdorperweg. Daarna leidde ons de weg naar Austerlitz waar wij een kamp betrokken in de bossen aldaar.

En daar eindigde ook mijn militaire bestaan. Want per 1 april 1946 heb ik ontslag genomen omdat ik per 15 april 1946 was aangesteld bij de gemeentepolitie van Den Haag bij welke instelling ik ook mijn pensioen  heb bereikt.

Over ons verdere verblijf in Steenwijk valt naar ik weet althans niets bijzonders meer te melden. Ons bataljon is na Steenwijk echter wel een zwervend bestaan gaan leiden. Want wij, te weten ons specialistenpeloton, kregen opdracht als kwartiermakers naar Scheveningen te gaan om daar de Johan de Wittschool aan de Nieuwe Duinweg geschikt te maken voor legering van onze soldaten. Dit betekende dat alle banken, tafels en stoelen (en dat zijn er nog al wat in een school) naar de bovenste verdieping moesten worden gebracht en in plaats daarvan de lokalen op te vullen met ledikanten voor de soldaten. En om dat karwei te klaren, ‘leenden’ wij een groep politieke delinquenten uit Duindorp.

Dit Duindorp nu was en is nog een wijk in Scheveningen waar toen de bewoners door de Duitsers uit verdreven zijn en geëvacueerd naar delen in het oosten van het land, omdat hun gebied deel uitmaakte van de Duitse verdedigingslinie. Deze wijk was nu, omrasterd met prikkeldraad, omgebouwd tot een interneringskamp voor politieke delinquenten. En daaruit putten wij toen onze arbeidskrachten.

Onze leider was toen de eerste luitenant Van Wulften Palthe. Een roodharige officier die nogal bruut optrad tegen de gevangenen. Zijn eerste toespraak tot de gevangenen begon hij, staande op de trappen van de school, door met luide stem te verkondigen: ”Jullie krijgen hetzelfde eten als wij, maar werken zullen jullie en als er een van jullie probeert te ontsnappen dan schiet ik jou persoonlijk voor je d………..” waarna hij een van de gevangenen in zijn borst greep en naar voren rukte.

Scroll naar boven