Holocaust & gevangenkampen

De verschrikkelijke moord op Joodse mensen is ook Urk niet bespaard gebleven. Op deze pagina willen wij u meenemen naar deze zwarte bladzijde in onze nationale en lokale geschiedenis.

De familie Kropveld

De familie Kropveld is vanuit Amsterdam op Urk gaan wonen.  De Duitsers hebben alle Joodse inwoners van Nederland in kaart gebracht en zoveel mogelijk onder controle en toezicht te komen van de Duitse overheid. De Familie Kropveld moest verplicht terug verhuizen naar Amsterdam in 1942. 

Een aanbieding om op Urk onder te duiken hebben zij niet aangenomen om geen overlast of gevaar te vormen voor deze mensen.

Geschiedenis van de familie kropveld

Tot 1942 woonde op Urk een Joods gezin: vader Israël Samuël Kropveld (1892), moeder Hendrika Kropveld – de la Penha (1895) en dochter Lea Kropveld (1924). Vader Israël Samuël stond bekend als Japien de Joode. Het gezin verhuisde in 1942 op last van de Duitse bezetter naar het getto in Amsterdam. In 1943 werd het gezin gedeporteerd naar Sobibor, in het oosten van Polen, waar ze bij aankomst werd vergast. De Stolpersteine voor Wijk 8-30 vormen een herdenking aan de familie Kropveld. Wie waren zij? Hoe leefden ze? Waar kwamen ze vandaan?*

Het gezin Kropveld vestigde zich vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog op Urk. Het gezin bestond uit drie personen: vader Israël Samuël, moeder Hendrika en dochter Lea. Het eigenlijke gezin bestond uit vijf personen. Een oudere broer, David Hartog, en een oudere zus, Margaretha, bleven (aanvankelijk) in Amsterdam.

Jeugd in Amsterdam
Israël Samuël Kropveld werd op 5 januari 1892 geboren in Amsterdam als tweede kind van David Salomon Kropveld en Grietje Gans. Vader David Salomon was commissionair van beroep en vaak van huis. De geboorteaangifte werd daarom niet door de vader, maar door de vroedvrouw gedaan. Het huishouden van David Salomon en Grietje was traditioneel Joods. De Joodse spijswetten, Kasjroet, werden in huis nageleefd. Grietje zag er zoveel mogelijk op toe dat David Salomon de Joodse voorschriften, vooral inzake de Sjabbat, naleefde.

Israël Samuël ging net als zijn vader in de handel. Als straathandelaar verkocht hij van alles. Zichzelf typeerde hij als ‘koopman in allerlei’. In Amsterdam leerde Israël Samuël de drie jaar jongere Hendrika de la Penha kennen, dochter van Hartog de la Penha en Lea Pais. Op woensdag 12 mei 1915 trouwden ze. Ruim zes maanden laten werd hun eerste zoon geboren, David Hartog, vernoemd naar opa Kropveld en opa De la Penha. Anderhalf jaar later werd een tweede zoon geboren, Hartog. Deze overleed echter na twaalf dagen als gevolg van het blijven bloeden na de besnijdenis. Op 23 oktober 1919 werd dochter Margaretha geboren. Later kwamen er nog twee kinderen: dochter Lea op 21 maart 1924 en zoon Samuël op 5 januari 1927. De laatste overleed in 1928.

Op een zeker punt besloot Israël Samuël naar Urk te gaan om daar zijn waar aan de man te brengen. Met een geleende handkar van Geert Oost bleek hij goede zaken te doen. Twee dagen per week was hij op Urk te vinden om te venten. Zijn handelswaar was niet op Urk te krijgen, wat zijn populariteit verklaart. Al snel raakte Israël Samuël bevriend met verschillende Urkers, waaronder Pieter Hakvoort en Jan Mars. Op Urk voelde hij zich thuis. Ook de Urkers zagen hem graag.

Van Amsterdam naar Urk

Omdat het in Amsterdam steeds moeilijker werd om betaalbare woonruimte te vinden, vertrok het gezin Kropveld in 1940 naar Urk. Zoon David Hartog was inmiddels getrouwd en ging niet mee. Ook dochter Margaretha bleef in Amsterdam. Zij kwam later, in 1941, op Urk wonen. Het gezin huurde een woonkamer van een huis in Wijk 8-30, schuin tegenover Jo en Bet Gerssen, die inmiddels goede vrienden waren van Israël Samuël. Uiteraard kreeg Israël Samuël al snel een bijnaam: Japien de Joode. Hendrika werd Heintje genoemd. Het gezin Kropveld paste zich goed aan op Urk. Er waren uiteraard wel zaken waaraan ze maar moeilijk konden wennen. Een ervan was de strikte zondagsheiliging op Urk. Het kwam wel eens voor dat Lea op zondag probeerde een fles prik te kopen bij een winkeltje. Ze werd dan echter weggestuurd met de woorden: ‘’Je drinkt maar water!’’

Toenemende dreiging

Tijdens de eerste razzia’s in Amsterdam (22 en 23 februari 1941) werd David Kropveld opgepakt. Hij werd na een tussenstop in kamp Schoorl op transport gezet naar Buchenwald. Vanuit dit kamp werd hij naar Mauthausen gedeporteerd, waar hij op 12 september 1941 omkwam. De Kropvelds waren zeer aangeslagen door dit verlies. In Urker bewoordingen: ‘dood ekrieten’ (ontzettend gehuild). Zus Margaretha besloot terug te keren naar Amsterdam om haar schoonzus Sipora te helpen met het huishouden. Vader, moeder en dochter Lea maakten zich intussen grote zorgen over de toekomst en over hun familieleden in Amsterdam. In contacten met vrienden op Urk hadden de Kropvelds het er vaak over. Steeds duidelijker werd dat het dat de bedoelingen van de bezetter met de Joodse bevolking niet best waren. De familie Kropveld kreeg op Urk het aanbod om onder te duiken. Ze weigerden, om niemand tot last te zijn.

Einde in Sobibor
In mei 1942 kwam voor het gezin Kropveld het gevreesde bericht dat ze moesten verhuizen naar de Amsterdamse Jodenbuurt. Voor de bezetter was het ‘makkelijker’ om de Joden bij elkaar te hebben. Ook nu wilde het gezin Kropveld niets van onderduiken weten. Op 18 mei 1942 vertrok het gezin naar Amsterdam, waar ze werden herenigd met Margaretha en Sipora, de echtgenoot van David Hartog. Margaretha was inmiddels getrouwd met Gideon de Hond. Op 20 september 1942 werd ze met haar echtgenoot op transport gezet naar Auschwitz, waar beiden werden vergast. Ergens tussen 1 en 28 maart 1943 werden ook Israël Samuël, Hendrika en Lea gearresteerd en op transport gezet naar Westerbork. Op 6 april werden zij vanuit Westerbork per trein naar Sobibor getransporteerd. Op 9 april 1943 werden ze alle drie meteen na aankomst in Sobibor vergast.

Het leven van het gezin Kropveld werd door de nazi’s ruw afgebroken. In de hechte gemeenschap die Urk was, liet dit gezin bij hun vertrek een gat achter. Ook al leven ze niet meer, hun leven wordt nog wel herinnerd. De Stolpersteine dragen er hopelijk aan bij dat ook toekomstige generaties erop gewezen zullen worden dat in deze straat ooit een Joods gezin woonde. Wat tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, kunnen we niet meer ongedaan maken. Wél kunnen we ons tot het uiterste inspannen om een herhaling daarvan te voorkomen. Stichting Urk in Oorlogstijd hoopt hier met de Stolpersteine aan bij te dragen. Opdat wij niet vergeten.

* Voor onderstaande informatie wordt onder andere gebruikt gemaakt van de wetenschappelijk studie naar de familie Kropveld, verricht door dhr. ds. J. van Slooten, zoals vervat in het boek Een ver-Urkte Israëliet: het levensverhaal van Japien de Joode, ISBN 90-71521-15-X – Klik hier om dit boek te lezen! 

Ook is er een stripboek geschreven over de familie Kropveld en het verhaal van de Tweede Wereldoorlog.

Herdenken van de familie Kropveld

Vrijdag 4 mei 2011 legde Stichting Urk in Oorlogstijd een krans bij de dodenherdenking. Dit ter nagedachtenis aan alle slachtoffers die gevallen zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook aan de familie Kropveld, de enige Joodse familie die op Urk woonde. Zij hebben de oorlog met de dood moeten bekopen. Afgelopen jaar heeft de stichting voor hen Stolpersteine laten leggen bij de voormalige woning van de familie op Wijk 8-30.

Stichting Urk in Oorlogstijd heeft drie Stolpersteine laten leggen bij het voormalig huis van de familie Kropveld op Wijk 8-30. Deze Stolpersteine, ook wel ‘struikelstenen’ genoemd, worden vooral gelegd om de herinnering van de Joodse slachtoffers van het Naziregime levend te houden. In 1993 richtte de Duitse kunstenaar Gunter Demnig het project Stolpersteine op. Inmiddels liggen er duizenden stenen door heel Europa. De stenen zijn ongeveer tien bij tien centimeter. Daardoor vallen ze op, maar is de tekst en betekenis niet direct zichtbaar. Doordat je je bijna letterlijk over de steen moet bukken, is dit tegelijkertijd een inspanning voor de nagedachtenis aan de omgebrachte personen voor wie de stenen bedoeld zijn.

Onderduiker Louis Cohen

,,Hier ben ik dan weer na zestig jaar.”

Op het beeldscherm van de computer verschijnt de 86-jarige Louis Cohen. Hij is Joods. In de oorlog zat hij negen maanden ondergedoken op Urk, bij de familie Kramer.

Stichting Urk in Oorlogstijd kwam bij toeval op zijn spoor, zocht het onderduikersgezin op en bracht de twee met elkaar in contact via een Skypegesprek.

Van alle Joodse onderduikers op Urk is Louis Cohen de enige die zijn verhaal zélf nog heeft kunnen vertellen.

In 2012 is er namens hem een Yad Vashem onderscheiding uitgereikt aan de familie Kramer.

Yad Vashem onderscheiding voor Gerrit en Marretje Kramer

Gerard; het familielid uit de stad die in de Tweede Wereldoorlog naar Urk komt om bij familie Kramer te wonen, heet in werkelijkheid Louis Cohen. Hij is een Joodse jongen die vluchtte om zijn leven te redden. Een leven dat onder meer gespaard bleef door de hulp van Gerrit en Marretje Kramer-Koffeman. Bijna zeventig jaar later ontvangen zij hiervoor – postuum – de Yad Vashem onderscheiding.

Het verhaal van Louis Cohen en de familie Kramer begint in november 1944. Cohen is net twintig jaar oud, en sinds zijn achttiende op de vlucht voor de Duitsers. Hij werkt in de polder, maar belandt na de grote razzia op 17 november op Urk. Eerst heel kort bij de familie Nentjes-Kramer, de ouders van de Oude Vrouwtjes. Door ruimtegebrek verplaatsen ze hem naar de familie Kramer-Koffeman. ,,Hij werd geïntroduceerd als een familielid dat uit de stad kwam’’, vertelt Anna Kramer (80).  Gerard – zijn schuilnaam – werkte mee in de bakkerij van haar ouders, en woonde bij hen in huis. ,, We stelden thuis geen vragen over Gerard. En ach, wat we ook vroegen over dit soort zaken, het antwoord was altijd even summier’’, aldus Willy Snoek-Kramer op 78 jarige leeftijd.

Oorlogsjaren

De kinderen van Gerrit en Marretje Kramer zagen gedurende de oorlogsjaren wel vaker dingen, waarvan ze wisten dat ze erover zwijgen moesten. ,,We zagen wel jongens uit de buurt en Gerard naar de zolder vluchten als er alarm geslagen werd, maar dat hoorde erbij’’, vertelt Betty Mazereeuw-Kramer. De zussen denken dat hun ouders zich waarschijnlijk niet bewust waren van het daadwerkelijke gevaar dat erin schuilde om mensen een schuilplaats te bieden. ,,Ze waren twee nuchtere, gelovige mensen die het als hun plicht zagen om Joden te helpen.’’ Zo ervoer Louis Cohen de familie Kramer ook. Hij zegt hierover: ,, De familie Kramer vond innerlijke vrede in hun geloof. Ze vertelden mij dat mensen te redden van de ‘oude religie’ hun hoofddoel was.’’

Na de bevrijding verhuist Cohen terug naar Amsterdam. Daar vindt hij uit dat zijn complete familie is vermoord. Cohen houdt in de jaren na de bevrijding door middel van brieven en een sporadisch bezoekje contact met de familie Kramer. Het contact verwatert als hij in 1951 met zijn vrouw en dochter naar Australië emigreert.

Bijzonder boek

In juni 2011 komt Robert Hofman (28) van Stichting Urk in Oorlogstijd een samenvatting van het boek Just for the Record tegen, geschreven door Louis Cohen. Ook Urk wordt er in genoemd. Hofman legt contact met een kennis uit Australië om de auteur van het boek op te sporen. Cohen wordt gevonden en de eerste contacten zijn een feit. Al snel wordt duidelijk dat Cohen de naam van zijn onderduikfamilie niet meer wet. Via een oproep in Het Urkerland vraagt Stichting Urk in Oorlogstijd wie de familie is die Louis Cohen destijds onderdak bood. Anna Kramer belt naar Hofman: ,,Mijn dochter las het bericht, en was er van overtuigd dat het om onze ouders ging. Ze kende de verhalen. Ik had haar vaak over onze thuissituatie en de periode met Gerard verteld. Toen ik het artikel las, wist ik het ook meteen: Louis Cohen is Gerard.’’
Stichting Urk in Oorlogstijd wil na dit nieuws Louis Cohen (90) herenigen met Anna Kramer. Door de afstand lijkt dat onmogelijk, maar de oplossing wordt gevonden in online videocontact. In oktober 2011 zien en spreken ze elkaar na meer dan vijftig jaar.

Yad Vashem

Hofman komt begin 2012 met het idee om namens de familie Cohen een Yad Vashem-onderscheiding  aan te vragen voor de familie Kramer. ,,Louis Cohen is de enige nog levende onderduiker die in staat is om deze aanvraag te doen voor zijn Urker helpers. Ik zie het als een eerbetoon voor alle Urkers die in de oorlog Joodse mensen hebben geholpen’’, aldus Hofman.

‘Dappere helden’

Op dinsdag 11 november 2014 is het zover: Anna, haar zussen, één van de twee broers, zwager en de leden van Stichting Urk in Oorlogstijd vertrekken naar Den Haag voor de onderscheiding. Het gezelschap wordt verwelkomt in de stadshal, waar de ceremonie plaatsvindt. In totaal worden twaalf families postuum onderscheiden. Ruim tweehonderd genodigden horen de toespraak van burgemeester Jozias van Aartsen, die de geëerden ‘dappere helden’ noemt. De ambassadeur van Israël sluit zich daarbij aan: ,,Het was gevaarlijk. De mensen die Joden hielpen, konden daarvoor vermoord worden. Het leven in die tijd leek wel op een film, maar het was de bittere werkelijkheid. Sommige Joden hebben nooit het genoegen gehad mensen zoals jullie te ontmoeten. Namens de Joden die jullie wel gevonden hebben: bedankt voor jullie hulp. Het klinkt cliché, maar bedanken is het minste wat we kunnen doen. Daarom willen wij graag de Yad Vashem onderscheiding uitreiken.’’

Anna Kramer komt naar voren als de naam van haar ouders wordt genoemd. Eerst wordt kort de geschiedenis geschetst van de geboden hulp. Daarna krijgt ze uit handen van de ambassadeur een oorkonde en een medaille. De beeltenis die op de medaille staat – de namen van haar ouders -, wordt ook in een muur in Jeruzalem gebeiteld. Na afloop vertelt ze: ,,Dat was zo’n prachtig moment. De ogen van de ambassadeur straalden één en al dankbaarheid uit. Ik was van te voren best zenuwachtig, maar toen ik hem zo zag staan, viel een last van mijn schouders.’’

Nieuw leven

Na afloop delen de families ervaringen met elkaar. Anna Kramer neemt even een moment voor haarzelf, en kijkt op haar telefoon. ,,Ik ben zo ontzettend gelukkig’’, vertelt ze. ,,Vandaag ben ik kukebessien geworden. Ze sturen net de eerste foto naar me.’’
Nieuw leven op deze wereld. Nieuw leven dat haar ouders destijds ook aan Louis Cohen schonken.

Verhalen van Urker slachtoffers

Een verslag van de herdenkingen in Wöbbelin en Ludwigslust, 2016. Geschreven door Janne Bakker, dochter van Sjoert Bakker en Nelly Metz. Haar moeder was eerder getrouwd met Piet Brouwer, overleden en begraven in Ludwigslust na zijn bevrijding uit KZ Wöbbelin.
Auteur: Janne Bakker-Hofman
Foto’s: Janne Bakker Hofman

In het gebied Wöbbelin-Ludwigslust wordt ieder jaar op de eerste drie dagen van mei uitgebreid stilgestaan bij de geschiedenis. De slachtoffers van de concentratiekampen worden herdacht, de bevrijding van die kampen wordt gevierd en er is veel aandacht voor ontmoeting in de ‘internationale Begegnung der Generationen’. Altijd is de bijdrage van de jeugd – in de vorm van (koor)zang, voorstelling, declamatie, dans, bloemlegging – groot. De gemeenschap heeft een belangrijk aandeel in organisatie en zorg voor de gasten. Of dat niet bijzonder genoeg is, bood deze 71ste herdenking ook nog iets extra’s: de inwijding van twee nieuwe monumenten, twee Nederlandse vrouwen met een toespraak, en nadrukkelijke aandacht voor de vluchtelingen van deze tijd.

Zondag 1 mei

Gesichter des KZ Wöbbelin

Deze zonnige middag werden we hartelijk welkom geheten door Ramona Ramsenthaler, leidster van Mahn- und Gedenkstätten Wöbbelin. Op het pleintje voor het museum konden we via informatieborden al veel zien en lezen over de plannen met verschillende monumenten in de omgeving, maar vandaag ging het toch vooral om het nieuwe kunstwerk waar zo lang naar was uitgekeken. In de zomer van 2015 eindelijk verrezen tussen het museum en de verkeerslichten op de Bundesstraße 106. Een niet te missen drieënhalf meter hoge terugwijzing naar het verleden en vooruitwijzing naar het voormalige kampterrein een paar kilometer verderop aan dezelfde weg. Vijfenveertig – symbolisch voor het jaar 1945 – in rechthoekige blokken klei gesneden koppen blikken vol leed en afgrijzen in alle richtingen de wereld in. Dicht opeengedrongen en gestoken op metalen stangen die uitgemergelde lichamen verbeelden, geven zij een gezicht aan de slachtoffers van KZ Wöbbelin.

Onvermoeibaar vertelde de maker, kunstenaar Marcus Barwitzki, over de ontstaanswijze en over de leidraad in zijn werk: zoeken naar maatschappelijke relevantie en mogelijkheden van gezamenlijke arbeid. Sinds 2011 werd door 150 kinderen, jongeren en volwassenen, in de leeftijd van 10-85, uit 21 landen, 11 Duitse deelstaten en het district Ludwigslust-Parchim gewerkt aan deze plastiek. Van basisschoolleerling tot student, van ambachtsman tot politicus. Het meerjarenplan liep van materiaalonderzoek, houtskoolschetsen van de gezichtsuitdrukkingen – naar de werkelijkheid op de door de Amerikaanse bevrijders gemaakte foto’s -, schaalmodel, werk op ware grootte, tot de uiteindelijke plaatsing.

Door intensief bezig te zijn met de vormgeving van deze gebeurtenis in ons verleden, met de verhalen die erbij horen en de ellende die uit de klei tevoorschijn komt, bouw je een band op met de slachtoffers, is de overtuiging van de kunstenaar. Het leed van de gevangenen zal dan altijd meer voor je betekenen dan de verbleekte zwartwit foto tijdens de geschiedenisles.

Gesichter des KZ Wöbbelin staat aan het begin van de weg die Mahn- und Gedenkstätten Wöbbelin wil inslaan om het verleden levend te houden in een toekomst waarin de overlevenden zelf niet meer zullen kunnen getuigen.

De herdenking op het voormalige kampterrein bij Wöbbelin

 

Het kamp bij Neustadt-Glewe werd in de middag van 2 mei 1945 bevrijd door de Russen.

Ongeveer tegelijkertijd werd de ellende van KZ Wöbbelin ontdekt door de Amerikanen. Toevallig, want het stond nog niet op de stafkaarten ingetekend.

Op dit voormalig kampterrein vond tegen het einde van de ochtend de jaarlijkse grote herdenking plaats. Na Rolf Christiansen, districtscommissaris en voorzitter van Vereniging Mahn- und Gedenkstätten im Landkreis Ludwigslust-Parchim e.V., begon Natan Grossmann zijn verhaal met: ‘Ik heb veel te vertellen, maar waar moet ik beginnen?’ Staande en uit het hoofd vertelde de 89-jarige hoe hij als enige van het gezin de oorlog overleefde. Zijn leven lang had hij het verdriet verdrongen, tot de neonazistische stem hem te luid werd. Toen was hij opgestaan en met zijn verhaal op reis gegaan. Het talrijke gehoor – mede-exgevangen, familie, nabestaanden, scholieren, hoogwaardigheidsbekleders en inwoners uit de omringende plaatsen – was zichtbaar onder de indruk. ‘Es ist ein anderes Deutschland geworden. Seien Sie stolz auf dieses Deutschland und passen Sie auf, dass es so bleibt. Lassen Sie nie wieder zu, dass solche Bestien das Sagen haben,’ citeerde hij Ben-Gurion.

Mij was gevraagd – als vooruitblik op de samenkomst ‘s middags op de begraafplaats in Ludwigslust – een toespraak te houden ter herinnering aan Piet Brouwer, vier weken na zijn bevrijding uit dit kamp daar gestorven en begraven. Piet Brouwer, de eerste man van mijn lang overleden moeder, die in de meidagen van 1940 strijd leverde op de vliegvelden van Bergen en Hilversum, en na de capitulatie terugkeerde naar het voormalige eiland Urk om er zijn werk als koopman-winkelier voort te zetten. Actief in de plaatselijke ondergrondse hield hij zich bezig met de zorg voor, en verborg onderduikers en vliegeniers, neergekomen in de pas drooggevallen Noordoostpolder. Zo gauw dat kon – Urk was in zeker zin een val, want wegverbindingen waren er nog niet – regelde hij een overtocht voor ze naar Noord-Holland om daar aan te kunnen sluiten op een pilotenlijn. Na verraad kwam Piet met het allerlaatste transport vanuit kamp Amersfoort op 19 maart 1945 in Neuengamme terecht om in de chaos van de laatste oorlogsweken van het ene Duitse kamp naar het andere gedreven te worden en uiteindelijk aan te komen in KZ Wöbbelin. Hier, op deze plek waar de aarde scheurde van ellende zoals een monument sinds 2005 laat zien. De stenen langs de littekens tonen de namen, soms alleen het kampnummer, van de slachtoffers. Denken aan Piet, besloot ik, is denken aan de woorden van Jesaja die hij, zoals zo veel verzetsmensen in praktijk bracht: ‘Verbergt de verdrevene en meldt den omzwervenden niet.’

Het was meteen een goede gelegenheid om stil te staan bij het al het werk, alle voorbereidingen, waar ieder jaar zovelen zich mee bezighouden, om deze ontmoetingen, herdenkingen en vieringen mogelijk maken. Dank, veel dank.

Het ereveld in Wöbbelin

 

Om vijf uur vond de eerste herdenking plaats. Na de bevrijding van kamp Wöbbelin werd het grote aantal doden verdeeld over vier gemeenten: Ludwigslust, Hagenow, Schwerin, Wöbbelin. In de laatste werden zij begraven op het kerkhof achter het museum. Hier liggen ook de gevangenen van de eerste transporten rechtstreeks vanuit Neuengamme. Zij waren de dwangarbeiders die vanaf half februari 1945 een nieuw onderkamp moesten bouwen in het gebied tussen Wöbbelin en Ludwigslust. Velen vonden zo de dood.

Na burgemeester Viola Tonn, en Dr. Carina Baganz die de geschiedenis in herinnering brachten, vertelde Lieke van Amstel over de zoektocht naar haar grootvader Bastiaan Herman. Lieke’s moeder was twintig toen haar vader voor de ogen van vrouw en kinderen werd gearresteerd en afgevoerd. Meer dan 60 jaar lang wist ze alleen dat haar vader in het verzet had gezeten en dat hij als PTT-beambte betrokken was geweest bij het leggen van telefoonverbindingen tussen bezet gebied en het bevrijde Zuiden. In november ’44 was hij verraden, via kamp Amersfoort ergens in Duitsland terechtgekomen en daar overleden. Meer wist Lieke’s moeder niet, wilde ze niet weten; het deed te veel pijn. Tòt ze in het boek Nederlanders in Neuengamme haar vaders naam zag staan. En niet alleen zijn naam, ook de datum en plaats van zijn overlijden. In het najaar van 2007 ging ze, met Lieke en haar echtgenoot, op bezoek in Wöbbelin. Daar wist Ramona Ramsenthaler hen te vertellen dat Sebastiaan Herman op 2 februari 1945 in KZ Neuengamme was aangekomen en nog geen twee weken later op transport was gesteld naar Wöbbelin waar hij al op 14 maart was overleden en begraven op het dorpskerkhof, later op het ereveld. Het bezoek was moeilijk, maar er was ook opluchting; Lieke’s moeder wist eindelijk waar haar vader begraven lag. Zo kreeg ze hem toch een beetje terug. Op een van de stenen van het ereveld had zij bloemen gelegd.

Vanmiddag werden bloemen gelegd op alle stenen van het ereveld, tulpen, door de schoolkinderen die even te voren liederen voor ons zongen. Daarna bloemstukken bij het monument, een reliëf van Jo Jastram dat een dodenmars voorstelt. Sinds vorig jaar is op deze gedenkplek door een uitbreiding met namenstenen te lezen welke slachtoffers hier een laatste rustplaats vonden.

TrotzTdem

’s Middags bracht de groep Lysistrate van het Goethe-Musikgymnasium in Schwerin een dansvoorstelling over verzet, in verzet komen. Inspiratie was opgedaan uit de korte levensgeschiedenis van broer en zus Scholl van de Duitse verzetsgroep ‘Weisse Rose’ die grote indruk op hen maakte. Onder leiding van Silke Gerhardt werden begrippen als vertrouwen, verbondenheid, moed, genegenheid, macht èn uitsluiting, angst – thema’s die ook in deze tijd een grote rol spelen – omgezet in duidelijke lichaamstaal in het stuk TrotzTdem.

De namenstenen van Dörthe Michaelis

In 2014 besloot de vereniging Mahn- und Gedenkstätten im Landkreis Ludwigslust-Parchim e.V. unaniem om, waar nodig, de gedenkplekken aan te passen, uit te breiden, te vernieuwen. Dit in het kader van 70 jaar bevrijding, en waar mogelijk in dezelfde lijn als het monument op het vroegere kampterrein aan de Bundesstraße 106 van kunstenares Dörte Michaelis.

Deze middag om vijf uur werden de namenstenen op de begraafplaats in Ludwigslust ingewijd. Zij die na de bevrijding van KZ Wöbbelin in deze gemeente stierven in ziekenhuis en lazaret vonden een laatste rustplaats op dit ereveld. In de loop der tijd verscheen er het bekende monument Schwurhand, maar – net als bij het ereveld in Wöbbelin – verwees niets naar het aantal en de identiteit van de slachtoffers. Nu brengen 149 stenen mèt en 32 stenen zonder naam daar gedenkwaardig verandering in. Piet Brouwer is één van de Nederlanders die hier begraven ligt. Op 12 mei ’45 schreef hij nog aan mijn moeder dat hij misschien de volgende week al sterk genoeg zou zijn om naar huis te mogen…

Aansluitend was in de nabijgelegen slotkapel een oecumenische dienst. Ook hier klonken de woorden van de profeet Jesaja: ‘Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijn’.

Maandag 2 mei

Neustadt-Glewe

Niet alleen kamp Wöbbelin fungeerde als eindpunt van dodenmarsen en – transporten. Een onderkamp van Ravensbrück, een paar kilometer verderop, verging het net zo. Na een bombardement op de Dornier vliegtuigfabriek – Wismar – werd deze herbouwd bij het Wehrmachtvliegveld van Neustadt-Glewe. Ernaast verschenen barakken voor negenhonderd gevangenen. Overwegend Poolse en Russische vrouwen, maar ook Nederlandse.

Hier werden de omstandigheden eveneens mensonterend toen er in 1945 in korte tijd vijfduizend gevangenen bijkwamen. De massagraven op het vroegere kampterrein en de begraafplaats in het dorp bergen zeker duizend slachtoffers. Driehonderd ernstig zieke vrouwen werden direct in een noodhospitaal opgenomen.

 Een zonnig pad door de velden, hier en daar een bord dat aangeeft waar welke barak stond, leidde ons deze ochtend naar een open plek in het bos waar de herdenking plaatsvond.

Bertold Brechts’ woorden op de gedenksteen Trete vor, für einen Augenblick. Unbekannte verdeckten Gesichts, und empfangt unseren Dank verdwenen onder de bloemen.

 Juist nu we naarstig op zoek zijn naar oplossingen voor het vluchtelingenprobleem moeten we ons laten waarschuwen door ons verleden, drukte Olaf Steinberg, president van de districtsvergadering Ludwigslust-Parchim ons op het hart. Nadrukkelijk stond hij stil bij het gevaar van herhaling van de geschiedenis en waarschuwde met name voor een beweging als Pegida en de AFD-partij.

De 86-jarige Janina Iwanska uit Warschau was heel jong toen ze hier gevangen zat. De kampperiode liet zo diepe indruk achter dat ze niets meer met Duitsland te maken wilde hebben, de taal niet meer kon horen. Pas later in haar leven zette ze de stap om nog eens terug te gaan naar die vreselijke plek. Opgelucht had ze ervaren dat de Duitsers van nu zo anders waren en zijn dan die van toen: ‘Al heel lang kom ik niet meer naar vreemden, maar naar bekenden toe.’

Dinsdag 3 mei

Gesprekken, projecten, tentoonstellingen

Op 3 mei waren er ontmoetingen met en gesprekken tussen overlevenden, nabestaanden en leerlingen van scholen in Ludwigslust, Hagenow, Parchim und Rastow. Als voorbereiding op de herdenkingen werkten zij ook dit jaar weer aan verschillende projecten, gepresenteerd in speciale tentoonstellingen.

Scroll naar boven