De haat tegen de Duitsers nam toe toen de bezetting voelbaar werd in de vorm van allerlei regels en het gebrek aan levensmiddelen. Toen steeds meer jongens moesten onderduiken en maatregelen tegen de joden werden aangescherpt nam het verzet toe. Toch bleef het verzet kleinschalig en kwam er geen uitgebreid netwerk op gang.
Pilotenhulp
Urk lag op een drukke verkeersroute van geallieerde en Duitse vliegtuigen. Honderden toestellen zijn in het IJsselmeer en de nieuwe polder neergestort. Degenen die het lukte om zich per parachute te redden of een geslaagde noodlanding in de polder hadden gemaakt, moesten zorgen dat zij weg kwamen om aan Duitse krijgsgevangenschap te ontkomen. Het Urker verzet probeerde vooral ’s nachts bemanningsleden naar een veilige schuilplaats in het dorp te brengen. Piet Brouwer hield ze verborgen in de kelder van zijn huis en winkel. De gebroeders Piet en Lub Hakvoort hadden twee schuilplaatsen gegraven onder de timmerschuren bij hun werf. Na een paar dagen of weken werden de bemanningsleden in het geheim met de boot naar Enkhuizen gebracht. Dit gebeurde vooral met de vaste Urker lijndienst. De kapitein van de Urker boot was altijd op de hoogte als er bemanningsleden aan boord waren.
Verzetsgroep Harmen Visser
In de laatste twee oorlogsjaren was een verzetsgroep actief die onder leiding stond van politieagent Harmen Visser uit Vollenhove. Een kleine groep op Urk, die voornamelijk in de polder werkte, stond onder leiding van Jan Schraal. De onderduikers die bij hen kwamen werden per motorfiets naar de polder of Vollenhove gebracht.
Jodenhulp
Sinds 1939 woonde er op Urk één joods gezin, vader, moeder en dochter Kropveld. Ondanks herhaaldelijk aandringen waren zij niet van plan om onder te duiken omdat zij de Urker bevolking niet in gevaar wilde brengen. In 1942 werden zij weggevoerd en vergast in vernietigingskamp Sobibor. Dit heeft grote indruk gemaakt op de Urkers.
Op Urk hebben veel Joden op verschillende adressen ondergedoken gezeten. Zo kwam een Joodse jongen via een tip van politieagent Harmen Visser bij meester Rein Bos terecht, die hem op zolder verborg. Toen meester Bos het advies kreeg om zelf onder te duiken, ging de jongen naar de Noordoostpolder. Waarschijnlijk is hij bij de razzia’s in 1944 opgepakt. Albert Hakvoort hielp bij het vervoer van joden en andere onderduikers over het water en bij het bezorgen van persoonsbewijzen op de onderduikadressen.
Paling en het Wilhelmus
Meester Bos hielp een verzetsgroep in Kampen elke week aan tien pond gerookte paling. Bij zijn werk als leraar was hij niet bang voor de Duitsers. Toen een aantal Urker jongeren in het steegje naast zijn huis uit volle borst het volkslied zong was hij ontroerd en nam zich voor deze jongeren te helpen als er problemen van zouden komen. NSB-Burgemeester Landman had van het voorval gehoord en stuurde politie naar de school. De agent wilde weten wie het gedaan had, maar vertrok zonder dader. Iedere keer als de politieagent uitgesproken was, draaiden de leerlingen, op het sein van meester Bos, hun rug naar hem toe.
Urker verzet en contact met de walle.
Veel Urkers die al voor de oorlog Urk verlaten hadden, waren actief in het verzet. Urkers ‘aan de wal’ bleken tijdens de oorlog vaak bereid om risico te lopen wat sommige met de dood moesten bekopen.
Heimelijk verzet
Over het verloop van de oorlog vertelde de Duitsers aan het Nederlandse volk alleen dat wat ze erover kwijt wilde. Om toch op de hoogte te blijven van de stand van zaken luisterden iedereen naar Radio Oranje die dagelijks vanuit Engeland uitzond en aanmoedigde vol te houden en de bezetter tegen te werken. Toen de radiotoestellen bij de Duitsers ingeleverd moesten worden, verborgen veel Urkers hun radio om toch op de hoogte van het oorlogsnieuws te blijven.
Vaderlandsliefde
Hoewel de Duitsers het door allerlei maatregelen het de bevolking erg moeilijk maakte om uiting te geven aan haar vaderlandsliefde, bleken de Urkers hierin toch zeer vindingrijk te zijn. Zo waren al tijdens de mobilisatie witte strepen op ooghoogte op de lantaarnpalen aangebracht. Op een morgen bleken deze witte strepen voorzien te zijn van een rode bovenstreep en blauwe onderstreep. De geïmproviseerde Nederlandse vlaggen moesten op last van de bezetter meteen verwijderd worden. De Urker klederdracht kent veel rode, witte en blauwe kledingstukken. Urker huisvrouwen hadden er een heimelijk genoegen in hun schone wasgoed op wasdag zó op te hangen dat de straten vol met de nationale driekleur leken te hangen.
Kerken in oorlogstijd
In kerkdiensten werd gewaarschuwd tegen winstbejag en zwarte handel en de predikanten drongen aan op nederigheid en gebed. Om te voorkomen dat de geallieerden zich konden oriënteren in de lucht stelden de Duitsers de zogeheten ‘spertijd’ in. Van 8 uur ’s avonds tot 6 uur ’s morgens was het verboden om de straat op te gaan. Hierdoor en door het gebrek aan elektriciteit vervielen de catechisaties en kwam het verenigingsleven stil te liggen. Ook werd het tijdstip van de middagdiensten vervroegd.
In de kerken werd zo af en toe stil verzet gepleegd. Zo is bekend dat op een zondagochtend de dienst voortijdig beëindigd werd omdat de predikant te horen had gekregen dat er een razzia gehouden zou worden. Door zijn ingrijpen konden de Duitsers slechts een enkeling oppakken.
Tijdens de oorlog werd vanuit de kerken meegeleefd met vervolgden en verdrukten. Zo vonden daklozen onderdak in de hulpkerk, waardoor deze niet meer beschikbaar was om kerkdiensten in te houden. De predikant van de gereformeerde gemeente en zijn gezin moesten de pastorie verlaten omdat Duitse soldaten in hun woning werden ingekwartierd.
Nieuwsvoorziening in bezettingstijd
Zoals overal in Nederland kwam ook de nieuwsvoorziening op Urk onder Duitse censuur te staan. Het plaatselijke krantje ‘De Oprechte Urker’ kon niet meer vrijuit haar mening verkondigen en vermeldde tijdens de oorlog bijvoorbeeld distributiemededelingen, verduisteringsvoorschriften en raadsverslagen. Ook kon men lezen dat vissers werden gewaarschuwd om geen vis buiten de visafslag om te verkopen. Toch vond de krant tussen de regels door mogelijkheden om haar onvrede over de bezetting te uiten. Na de oorlog werd de ‘Oprechte Urker’ vervangen voor het ‘Urkerland’.
Het onderwijs ontregeld
In januari 1942 werd een benoemingsverordening van kracht dat inhield dat nieuwe onderwijzers alleen met goedkeuring van de Secretaris-Generaal aangesteld mocht worden. Het schoolbestuur en de leerkrachten van de Rehobothschool kwamen in verzet en benoemden onderwijzers zonder een vergunning aan te vragen waardoor de subsidie stopte.
De Rehobothschool en Wilhelminaschool zaten in hetzelfde gebouw. Op last van de Duitse bezetter moest de naam van de Wilhelminaschool veranderd worden in Willem de Zwijgerschool. De oude namen werden echter niet van de muur verwijderd. Zo kwam het regelmatig voor dat mensen even stilstonden bij de naam ‘Wilhelmina’ om eer aan de koningin te betuigen. Hieraan kwam een eind toen twee Duitse soldaten in een dronken bui het naambord in de haven gooiden.
De heren Vrij en Dikkerboom, medewerkers van Zuiderzeewerken, viste het bij toeval op en hebben het tot het eind van de oorlog verborgen gehouden.
Toen de oorlog voorbij was bleken de schoolkinderen om verschillende redenen een aanzienlijke achterstand opgelopen te hebben. Voorgesteld werd om het schooljaar 1944-1945 als verloren te beschouwen en opnieuw te beginnen.
